Kan een hypotheekhouder in cassatie in een onteigeningsprocedure?17 juli 2013

Op 12 juli 2013 beantwoordt de Hoge Raad deze vraag met "nee, niet met succes" (lees hier het volledige arrest).

Op grond van artikel 43 van de Onteigeningswet kan de hypotheekhouder tussenkomen in een onteigeningsgeding tussen de onteigenaar en eigenaar van de onroerende zaak waarop het recht van hypotheek ten gunste van de hypotheekhouder rust.

Maakt de hypotheekhouder gebruik van het recht van tussenkomst, dan dient de rechtbank de onteigenaar te veroordelen tot betaling van het bedrag dat de hypotheekhouder kan vorderen uit hoofde van het recht van hypotheek en de daarmee verband houdende geldleningsovereenkomst aan de hypotheekhouder. De onteigende partij en hypotheekgever valt als het ware voor dat deel van de onteigeningsschadeloosstelling buiten de boot.

Let wel, de hypotheekhouder kan zijn rechten alleen uitwinnen op dat deel van de schadeloosstelling dat de vergoeding van de werkelijke waarde en de waardevermindering van het overblijvende betreft. Eventuele vergoeding van inkomensschade of andersoortige schade komt uitsluitend toe aan de onteigende partij.

In de kwestie die leidde tot het arrest van 12 juli 2013 oversteeg het bedrag van de hypothecaire geldlening de door de rechtbank vastgestelde werkelijke waarde van de onteigende onroerende zaak.(1) De hypotheekhouder werd dus voor het probleem gesteld dat slechts een deel van de geldlening werd afgelost, terwijl tegenover het restant van de geldlening niet meer de overeengekomen zekerheid kon worden gesteld. Die onroerende zaak is immers onteigend.

De hypotheekhouder stelt cassatieberoep in. De onteigende partij doet dat niet.

Als verwerende partij in cassatie stelt de Staat dat de hypotheekhouder niet in het cassatieberoep ontvangen kan worden, omdat artikel 43 van de Onteigeningswet de hypotheekhouder niet het recht op een afzonderlijke schadeloosstelling toekent.

De Staat krijgt gelijk van de Hoge Raad: nu de onteigende partij geen cassatieberoep tegen het vonnis heeft ingesteld én de hypotheekhouder geen recht heeft op een afzonderlijke schadeloosstelling, is het vonnis van de rechtbank in kracht van gewijsde gegaan. Het beroep van de hypotheekhouder tegen de vaststelling van de omvang van de schadeloosstelling kan dan ook niet slagen bij gebrek aan enig belang zijdens de hypotheekhouder.

De hypotheekhouder heeft nog aangevoerd dat artikel 43 van de Onteigeningswet onjuist is toegepast door de rechtbank. De juiste toepassing zou zijn dat de hypotheekhouder altijd het volledige bedrag waarvoor het recht van hypotheek is gevestigd zou kunnen verhalen op de aan de onteigende toe te kennen schadeloosstelling. Een andere toepassing zou tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM leiden.

De Hoge Raad besteedt weinig woorden aan het weerleggen van deze klacht. De wetstekst is duidelijk en de inperking van het eigendomsrecht, zoals dat is beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, geschiedt in het algemeen belang, onder voorwaarden voorzien in de wet en is in de optiek van Hoge Raad proportioneel, zodat de beperking van het verhaalsobject en het beroepsrecht van de hypotheekhouder geen schending van eigendomsrecht kunnen vormen.

_____________________________________________________________________________

(1) Of sprake was van waardevermindering van het overblijvende komt in het arrest niet tot uitdrukking.

Deel deze pagina: