Mogelijkheid bedenkingen tegen provinciale ontheffing vóór vaststelling bestemmingsplan!16 september 2013

Het komt regelmatig voor dat een bestemmingsplan eerst kan worden vastgesteld nadat hiervoor door provinciale staten een ontheffing van de provinciale verordening is gegeven. Op 12 maart 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak (201204241/1) gedaan over het moment waarop belanghebbenden in de gelegenheid moeten worden gesteld om bedenkingen te uiten tegen een dergelijke ontheffing. In deze uitspraak is de Afdeling namelijk deels teruggekomen op zijn eerdere uitspraak van 6 juni 2012 (201110671/1).

Het ging in deze zaak om een ontheffing van artikel 15 van de Verordening Ruimte Zuid-Holland (betreffende de vrijwaringszone van provinciale vaarwegen). Deze ontheffing was nodig om het betreffende bestemmingsplan vast te kunnen stellen.  

Niet is veranderd dat pas bij het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan kan worden opgekomen tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing. Tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing kan derhalve niet eerst bezwaar worden gemaakt. Evenmin is op dit besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. 

Het bestemmingsplan wordt wel voorbereid door middel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Dit houdt onder meer in dat het ontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage moeten worden gelegd (artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). Aan een ieder dient de mogelijkheid te worden geboden om tegen dit ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen (artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening, Wro). Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld en kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan beroep instellen bij de Afdeling (artikel 8.2 van de Wro).

Als het besluit tot het verlenen van de ontheffing al is genomen op het moment dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, dan dient de ontheffing met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. Een ieder kan dan zienswijzen geven op het ontwerpbestemmingsplan en in dat kader ook reageren op de ontheffing.

Veelal wordt de ontheffing echter pas wordt verleend, nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. In de uitspraak van 6 juni 2012 oordeelde de Afdeling dat de raad in dat geval het bestemmingsplan kon vaststellen en dat belanghebbenden in beroep de mogelijkheid hebben om tegen de ontheffing bedenkingen in te brengen.  Hierop is de Afdeling in de uitspraak van 12 maart 2013 teruggekomen. De Afdeling is thans van oordeel dat belanghebbenden in de gelegenheid moeten worden gesteld om bedenkingen tegen de ontheffing in te dienen vóórdat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt genomen.

Een interessante vraag is wie er in de gelegenheid moeten worden gesteld om bedenkingen kenbaar te maken tegen de ontheffing, nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. Een ieder kan immers zienswijzen tegen een ontwerpbestemmingsplan indienen, maar alleen belanghebbenden kunnen tegen een vastgesteld bestemmingsplan beroep instellen. Ook met te laat ingediende zienswijzen mag de gemeenteraad rekening houden. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan echter geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs verweten kan worden dat hij geen (dan wel niet tijdig) zienswijzen naar voren heeft gebracht. Gelet hierop ligt het naar mijn mening in de rede dat een ieder bedenkingen kan maken tegen het gebruik maken van de ontheffing bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Beroep kan in beginsel echter alleen worden ingesteld door belanghebbenden die eveneens zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Zie in dit verband ook mijn in de AB gepubliceerde annotatie bij de onderhavige uitspraak van 12 maart 2013 (AB 2013/261).     

 

 

 

Deel deze pagina:

Contactpersoon