Vennootschappelijke familietwist: is moeders wil wet?20 september 2013

Grotere ondernemingen bestaan vaak uit een holding met daaronder verschillende dochtermaatschappijen met een eigen bestuur. Vaak streven moeder en dochter dezelfde doelen na, maar soms kunnen de belangen van de lagere entiteiten radicaal verschillen van de belangen van de holding. Organen van zo'n lagere entiteit, zoals het bestuur, de raad van commissarissen of de ondernemingsraad, hoeven (en mogen) in dat geval lang niet altijd klakkeloos het beleid van de bovengelegen holding op te volgen.

Het hof in Amsterdam deed recent uitspraak in een geschil tussen verschillende onderdelen van het Watts concern, een internationale onderneming die zich toelegt op de productie en verkoop van afsluiters, kranen en ventielen voor leidingwerk. Onder een Amerikaanse topholding (de 'grootmoeder') was een Europese holding geplaatst (de moeder) welke als holding fungeerde voor verschillende Europese (dochter)entiteiten, waaronder de Nederlandse tak van het concern. Op instigatie van het Amerikaanse bestuur had de Europese holding besloten om de Nederlandse productieactiviteiten te verplaatsen naar Frankrijk. Met deze samenvoeging zouden schaal- en synergievoordelen behaald kunnen worden.

De ondernemingsraad van de Nederlandse vestiging maakte bezwaar bij de ondernemingskamer tegen de verplaatsing, omdat eerder nog was besloten om een deel van de productie in Nederland te houden. Met de verplaatsing zou een groot aantal banen verloren gaan. Bovendien zou de afslanking de opmaat vormen naar de opheffing van de Nederlandse vestiging.

De ondernemingskamer noemt het "onvermijdelijk en vanzelfsprekend" dat het bestuur van de Nederlandse dochter zich laat leiden door het belang van het gehele concern. Tegelijkertijd betekent dit, aldus de ondernemingskamer, niet dat zij het beleid van de topholding 'blind' mag volgen. Hoewel het er op lijkt dat het Nederlandse bestuur van Watts in het verleden waarschijnlijk wel had geprobeerd om activiteiten in Nederland te houden, kon zij in de procedure niet toelichten welke belangenafweging zij zelfstandig (dus los van de Europese moeder en Amerikaanse grootmoeder) had gemaakt. De ondernemingskamer nam daar geen genoegen mee en verbood de verplaatsingen van de activiteiten totdat het Nederlandse bestuur die afweging wel had gemaakt.

De vraag wanneer een dochteronderneming zich kan onttrekken aan de hoogste macht in een organisatie kwam al vaker aan de orde. Zo deed de ondernemingskamer in 2003 uitspraak in de geruchtmakende zaak rond Corus. Toen was het de raad van commissarissen van de Nederlandse moeder die zich verzette tegen de beslissing van de Engelse holding (de grootmoeder) om Nederlandse dochterondernemingen te verkopen. De ondernemingskamer weigerde uiteindelijk het verzoek van de Engelse holding om ingrijpende voorlopige voorzieningen te treffen. Zij gebood de partijen verder te onderhandelen.

In zaken waarin het bestuur van een dochteronderneming zich verzet tegen een besluit van een moedermaatschappij komt veelal de positie van die bestuurder ter discussie. De aandeelhouders van de onderneming kunnen immers beslissen om een 'opstandige' bestuurder te vervangen door een ander. Voor andere organen van de dochteronderneming ligt dat anders: een saillant detail uit de zaak rond Corus was dat de raad van commissarissen, in tegenstelling tot het bestuur van de onderneming, niet direct door de aandeelhouders uit haar functie ontheven kon worden en daardoor haar protest veel langer kon volhouden. Ook de ondernemingsraad van Watts had in dat opzicht een sterke positie.

Met de uitspraken rond Watts en Corus bevestigt de rechtspraak enerzijds dat het bestuur (of andere organen) van een dochter een zelfstandige afweging moeten maken over hetgeen goed is voor hun vennootschap. In het algemeen wordt erkend dat de verhoudingen binnen het concern daarbij een belangrijke rol spelen. Een dochter geniet immers zowel voor- als nadelen van het bestaan binnen een concern. Anderzijds wordt benadrukt dat het bestuur van de dochter een zelfstandige plicht heeft om te zorgen voor het welzijn en voortbestaan van die onderneming. Bij de afweging van de rechter speelt geen rol dat een bestuurder die zich verzet tegen de moeder door de aandeelhouders ontslagen kan worden. Bestuurders behoren een rechte rug te hebben en niet zonder voorafgaande en zelfstandige belangenafweging in te stemmen met besluiten die hun vennootschap kunnen schaden.

Overigens is onder de in 2012 ingevoerde flex-BV de mogelijkheid om een instructiebevoegdheid in de statuten op te nemen vergroot. De aandeelhouders kunnen middels zo'n passage de bestuurder rechtstreeks specifieke instructies geven, waarbij de zelfstandige beoordelingsruimte voor de bestuurder kleiner (maar niet afwezig) is.

In de strijd tussen moeder en dochter kan een gang naar de rechter veelal een nuttige signaalfunctie hebben. Zo bleek de zaak rond Corus destijds voldoende om de activiteiten (toen) binnen het concern te houden. Ruzie in de familie wordt vaak, maar lang niet altijd, gewonnen door de oudste familieleden…

 

Deel deze pagina:

Contactpersoon