Hoge Raad vernietigt uitspraak waarin de gemeente Rotterdam werd veroordeeld opstalrechten te vestigen ten behoeve van Eneco1 oktober 2013

In zijn arrest van 20 september jl., ECLI:NL:HR:2013:CA0727, heeft de Hoge Raad een arrest van het hof Den Haag vernietigd waarin het hof de gemeente Rotterdam had veroordeeld om mee te werken aan het vestigen van opstalrechten voor kabels en leidingen in de grond van de gemeente tot het moment dat Eneco zelfstandig werd en geoordeeld dat bij verlegging van kabels, leidingen en buizen de verleggingskosten integraal dienen te worden vergoed door de partij die de verlegging veroorzaakt.   Wat was er aan de hand? Bij de verzelfstandiging van het gemeente energiebedrijf per 1 november 1992 is bij notariële akte van inbreng de activa en passiva van het gemeente energiebedrijf ondergebracht in de N.V. GEB in Rotterdam. GEB is daarna als verdwijnende vennootschap bij fusie onder algemene titel opgegaan in N.V. Eneco en heet nu N.V. Eneco Beheer.

In 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders krachtens de Leidingenverordening aan Eneco een aanwijzing gegeven tot het op eigen kosten verleggen van een viertal ondergrondse stadsverwarmingsleidingen, gelegen in een perceel waarvan de gemeente eigenaar is, omdat de gemeente dit perceel bouwrijp - vrij van leidingen - wilde verkopen aan een projectontwikkelaar.

Eneco was het daar niet mee eens en is een procedure begonnen, stellende dat zij behandeld dient te worden alsof zij niet slechts de economische eigendom van de tot het net behorende kabels, leidingen en buizen heeft verkregen, maar ook een opstalrecht op de grond van de gemeente voor de locatie waar de kabels, leidingen en buizen liggen. Eveneens heeft Eneco een verklaring van recht gevorderd waarin wordt gevraagd te oordelen dat de gemeente de kosten voor het verleggen van kabels, leidingen en buizen integraal dient te dragen indien de verlegging plaatsvindt op verzoek van de gemeente.

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het hof te Den Haag wijst ze toe. De gemeente Rotterdam is van dit arrest in cassatieberoep gekomen, stellende dat het arrest van het hof vernietigd moet worden, omdat bij de uitleg van de overeenkomst die heeft geleid tot de akte van inbreng het hof heeft moeten oordelen dat het hier juridisch onderlegde partijen betreft, zodat aan de woorden van het contract een belangrijke rol toekomt. Dit vooral omdat noch de akte van inbreng, noch een andere overeenkomst rept van de vestiging van een (economisch) opstalrecht. Het was dus niet de bedoeling om een dergelijk opstalrecht te vestigen volgens de gemeente. Hier is de Hoge Raad het niet mee eens. Het hof heeft een andere maatstaf toegelegd, namelijk de bekende "Haviltex maatstaf" (de woorden van het contract alleen zijn niet bepalend, ook moet gekeken worden naar welke betekenis de partijen aan de tekst geven en wat ze over en weer mochten verwachten [HR 13 januari 1981, NJ 1981, 635] ) en het hof mocht dit doen in deze.

Volgens de Hoge Raad is het zo dat de hoedanigheid van de contractspartijen niet behoefde mee te brengen dat een groter gewicht toekomt aan de bewoordingen van de contracten, dan het hof daaraan heeft toegekend.

Wel succes heeft de gemeente met een volgende klacht. Het hof had overwogen dat in 1992 een opstalrecht bij uitstek geschikt werd geacht om verticale natrekking te voorkomen van leidingen die duurzaam met de grond van een ander waren verbonden en om de eigendom van dergelijke leidingen te verkrijgen en dat in 1992 het vestigen van een opstalrecht de enige mogelijkheid was om leidingen van iemands grond in eigendom over te dragen.

De Hoge Raad overweegt dan dat noch in akte van inbreng, noch in latere stukken gesproken wordt over de vestiging van een opstalrecht. Ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat vestiging van een opstalrecht in de onderhandelingen tussen partijen aan de orde is geweest.

Dit is van belang omdat de vestiging van het opstalrecht niet alleen gevolgen zou hebben voor de eigendom van de leidingen, maar ook tot gevolg zou hebben dat (de rechtsvoorgangster van) Eneco voor onbepaalde tijd het zakelijk recht zou verkrijgen tot het hebben en houden van leidingen in de grond van de gemeente.

Wegens onder meer dit ingrijpende gevolg is het oordeel van het hof dat de gemeente zich jegens (de rechtsvoorgangster van) Eneco heeft verbonden tot het verlenen van medewerking aan de vestiging van een opstalrecht onbegrijpelijk volgens de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt derhalve het arrest van het hof en verwijst de verdere feitelijke behandeling door naar een ander hof.

Een zelfde lot ondergaat de beslissing van het hof dat de gemeente de kosten zou moeten dragen voor het verleggen van de leidingen in dit geval. De Hoge Raad meent dat het hof ook hier een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen tegen het licht van de stelling van de gemeente dat de afspraken tussen partijen bij inwerkingtreding van de Leidingenverordening en de Verlegregeling wijzigingen zouden ondergaan, althans dat de gemeente een voorbehoud heeft gemaakt. Het hof had zo niet kunnen beslissen zonder deze punten in zijn beoordeling te betrekken.

Algemeen commentaar

Hier wordt weer eens duidelijk gemaakt dat het vestigen van zakelijke rechten uitdrukkelijk moet worden overeengekomen. Door de zakelijke werking van deze rechten, ze zijn er voor onbepaalde tijd en hebben werking ten opzichte van derden, vindt de Hoge Raad in dit geval dat niet zonder meer kan worden aangenomen.

Een belangrijk arrest dus, waar de les van is: "Zorg dat je afspraken uitdrukkelijk in overeenkomsten neerlegt, zeker als je de vestiging van een zakelijk recht beoogt.

Deel deze pagina:

Contactpersoon