Geen gerechtigde, wel schadevergoeding!9 oktober 2013

Bij arrest van vrijdag 27 september jl. (ECLI:NL:HR:2013:CA1731) heeft de Hoge Raad bepaald dat in sommige bijzondere gevallen de schade die het directe resultaat van een onteigening is, maar niet geleden wordt door een in de Onteigeningswet genoemde partij toch vergoed moet worden. Een bijzonder arrest en een bijzonder mooi resultaat voor onze cliënten!

Sinds jaar en dag geldt in het onteigeningsrecht de hoofdregel dat alleen partijen genoemd in artikel 3 van de Onteigeningswet de schade, die het directe gevolg is van een onteigening, vergoed krijgen. Een enkele keer ontstond in de lagere rechtspraak en rechtspraak van de Hoge Raad een uitzondering op deze hoofdregel. Zo dient de schade van de economisch eigenaar in de onteigeningsprocedure te worden vergoed. Dat geldt ook voor de niet in artikel 3 Ow genoemde onderhuurder, onderpachter en de huurkoper van onroerend goed.

Bij het arrest van vrijdag 27 september jl. heeft de Hoge Raad wederom een uitzondering op de hoofdregel gemaakt. De casus is als volgt.

Vader werkt samen met zijn zoons in een kassencomplex dat staat op grond die in eigendom van vader is. Een van de zoons koopt later een aangrenzend stuk grond, bouwt op die grond de werkplaats voor de tuinbouwbedrijven en vernieuwt de kassen op het perceel van vader. Op enig moment stopt vader wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Zijn zoons zetten de werkzaamheden ongewijzigd voort.

En dan worden de gronden ter onteigening aangewezen. Zowel vader als zoon worden gedagvaard - zij zijn immers beiden eigenaar van een stuk grond dat de gemeente door middel van onteigening wil verwerven. Er volgen twee onteigeningsprocedures, die gevoegd worden behandeld.

Na diverse deskundigenrapporten, tussenvonnissen en een definitieve uitspraak van de rechtbank leek het vast te staan: de schade van de zoons die ontstaat wegens het verlies van de mogelijkheid het tuinbouwbedrijf te exploiteren kan niet vergoed worden in het kader van de onteigeningsprocedure, daar de zoons geen rechthebbende op de ter onteigening aangewezen onroerende zaak zijn als genoemd in artikel 3 van de Onteigeningswet. De rechtbank overwoog uitvoerig dat de wet, het recht en de jurisprudentie geen aanknopingspunten boden de schade van de zoons - die volgens de rechtbank wel degelijk in causaal verband staat tot de onteigening - te vergoeden met name omdat er tussen vader en zoons geen contracten zijn gesloten over het gebruik van de onroerende zaak. De rechtbank overwoog voorts dat ook de aanwezigheid van een eventuele morele contractuele verplichting van vader jegens zijn zoons niet tot een ander oordeel leidt.

Besloten is cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden van dit oordeel van de rechtbank in te stellen. Het zou toch immers niet zo kunnen zijn dat het niet sluiten van overeenkomsten tussen ouder en kind het gevolg heeft dat het kind geen aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade in de onteigeningsprocedure.

Op 27 september 2013 sprak de Hoge Raad het verlossende woord: de schade moet worden vergoed. Of in woorden van de Hoge Raad (geparafraseerd): In het licht van deze omstandigheden - familiebedrijf dat reeds ver voor de onteigening alleen door de zoons werd uitgeoefend, er geen onderlinge strikte financiële scheiding is, de zoons als vanzelfsprekend het bedrijf hebben voortgezet en zulks zonder onteigening ook na erfopvolging zouden blijven doen - moet geoordeeld worden dat een door de Onteigeningswet verlangde volledige vergoeding van de schade die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de eigendomsontneming, naar redelijkheid tevens vergoeding van de bedrijfsschade van de zonen omvat. Het gaat hier immers om onteigening van gronden die blijvend waren bestemd tot uitoefening van het tuinbouwbedrijf in familieverband. Dat vader zelf niet meer participeert in het bedrijf noch op enigerlei wijze financieel baat heeft van de bedrijfsuitoefening op zijn gronden, neemt niet weg dat hij als eigenaar er belang bij heeft dat de gronden ter beschikking blijven staan voor de bedrijfsuitoefening in familieverband door zijn zonen. Een volledige schadeloosstelling op grond van de Onteigeningswet brengt daarom mee dat vader door de schadeloosstelling financieel in staat wordt gesteld de bedrijfsactiviteiten van zijn zonen op andere gronden te laten voortzetten, ook al is hij daartoe jegens zijn zonen juridisch niet verplicht. Er bestaat geen goede grond de bedrijfsschade voor rekening van de zonen (het familiebedrijf) te laten in plaats van voor rekening te laten komen van de gemeenschap wier belang met de onteigening is gediend.

De redelijkheid en billijkheid rekken dus andermaal de kring van gerechtigden op een onteigeningsschadeloosstelling op. Of er echter snel een andere partij met succes een beroep op dit arrest kan doen is gelet op de uitvoerig geschetste specifieke omstandigheden van het geval de vraag.

De procedure is verwezen naar het Gerechtshof 's-Gravenhage dat de facto de opdracht heeft gekregen de bedrijfsschade van zoons vast te stellen.

 

__________________________________________________________________________________________

PS 1: de auteur is als advocaat van de eisende partij in cassatie bij deze zaak betrokken. Coen Verhaegh behandelt de zaak in feitelijke instantie.
PS 2: het arrest ziet tevens op de toepassing van artikel 39 van de Onteigeningswet. Dit onderdeel wordt later besproken.

Deel deze pagina: