Samenwonen en (mede)huur7 november 2013

De echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van een huurwoning wordt automatisch (van rechtswege) medehuurder van de huurwoning waarin zij beiden (gaan) wonen. Voor samenwoners geldt dat niet. Dat heeft tot gevolg dat de  samenwoner niet zonder meer in de huurwoning mag blijven nadat de huurder - met wie hij of zij samenwoonde - de woning verlaat of overlijdt.

Er zijn twee situaties te onderscheiden:

1) Twee personen besluiten samen te gaan wonen. Ze gaan samen op zoek naar een woning en sluiten vervolgens gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder en tekenen het huurcontract allebei mee. In dat geval worden beide personen huurder van de woning. Zij kunnen dan allebei, na vertrek of overlijden van één van hen, in de woning blijven wonen.

2) Twee personen besluiten samen te gaan wonen. De één huurt (al) een woning en de ander trekt bij hem of haar in. Nu is maar één van de beide samenwoners huurder van de woning. De intrekkende samenwoner wordt niet automatisch medehuurder en kan dus niet zonder meer in de woning blijven wonen na vertrek of overlijden van de huurder. Om zijn of haar rechten na beëindiging van de relatie of het overlijden van de huurder veilig te stellen dient de samenwoner ervoor te zorgen dat hij of zij medehuurder wordt.

De huurder en de samenwoner kunnen daartoe gezamenlijk een verzoek indienen bij de verhuurder. Een dergelijk verzoek kan in een brief aan de verhuurder worden gedaan, maar het kan ook mondeling. Als de verhuurder niet binnen drie maanden op dat verzoek reageert of het verzoek afwijst, kunnen de huurder en samenwoner gezamenlijk de rechter verzoeken de samenwoner medehuurder te maken.

De rechter kan het verzoek om drie redenen afwijzen:

  1. In de eerste plaats kan de rechter het verzoek afwijzen, als de samenwoner onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur, bijvoorbeeld omdat hij of zij een te laag inkomen heeft om de huur alleen te kunnen betalen.
  2. In de tweede plaats kan de rechter het verzoek afwijzen als de samenwoner niet tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. De samenwoner dient dus al twee jaar in de woning te wonen èn samenwoner en huurder moeten gedurende die twee jaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd met het oog op een gezamenlijke toekomst.
  3. In de derde plaats kan het verzoek worden afgewezen als het verzoek enkel wordt gedaan om de samenwoner snel enig huurder te maken. Dit is een anti-misbruik bepaling. Het is niet de bedoeling dat de huurder mee werkt aan een verzoek om toekenning van medehuurderschap aan de samenwoner, met de bedoeling de samenwoner de huurwoning van de huurder te laten "overnemen".

Als geen van deze drie punten zich voordoen moet de rechter het verzoek toewijzen. De samenwoner wordt dan medehuurder en krijgt in beginsel dezelfde rechten als de huurder. De medehuurder mag, als de huurder uit de woning vertrekt of als de huurder overlijdt in de woning blijven wonen. Mocht - bijvoorbeeld door verbreking van de relatie tussen de huurder en de medehuurder - discussie ontstaan over de vraag wie in de woning mag blijven wonen, dan kan de rechter worden gevraagd die knoop door te hakken.

(Dit artikel is ook gepubliceerd in De Scheveningsche Courant van woensdag 6 november 2013)

Deel deze pagina: