Het verpandingsverbod in de aannemerij22 november 2013

In de bouw wordt in toenemende mate door opdrachtgevers in overeenkomsten van aanneming van werk en/of algemene voorwaarden gebruik gemaakt van een zogenaamd verpandingsverbod. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben...

Een verpandingsverbod houdt in dat de opdrachtgever bedingt dat de aannemer zijn vordering tot betaling van de opdrachtgever/debiteur niet mag verpanden aan een financier, veelal de bank. Een reden om een verpandingsverbod op te nemen in overeenkomsten of algemene voorwaarden is om te voorkomen dat degene die het verpandingsverbod bedingt in een conflictsituatie geconfronteerd wordt met een andere partij (de pandhouder) in plaats van de contractspartij.

Een voorbeeld van een verpandingsverbod, uit de 'uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken' (UAV) is:

"In afwijking van het bepaalde in par. 43 lid 1 van de UAV komen partijen overeen dat de aldaar beschreven cessie of inpandgeving niet is toegestaan, behalve in geval van uitdrukkelijke, voorafgaande, schriftelijke goedkeuring van de directie. Indien de directie instemt met cessie of inpandgeving, dan is de bouwkundige aannemer gehouden om een schriftelijke verklaring van de cessionaris of pandhouder te overleggen waarin deze verklaren zich onverkort te verbinden aan de inhoud van de overeenkomst tussen opdrachtgever en bouwkundige aannemer en alle bijlagen welke van deze overeenkomst deel uitmaken."

Voor aannemers/bouwbedrijven levert een verpandingsverbod de nodige complicaties op. Aannemers in de bouw maken immers veelvuldig gebruik van een financiering die wordt verkregen van een bank. Tegenover het verstrekte geld wenst de bank de zekerheid dat het geleende geld wordt terugbetaald.  Dit zal onder meer moeten gebeuren door vorderingen van het bouwbedrijf op opdrachtgevers te bezwaren met een pandrecht. De bank kan zich vervolgens met dit pandrecht verhalen op de opdrachtgever van de bouwonderneming. Dit nu wordt doorkruist door het verpandingsverbod. Probleem voor de bouwonderneming is dat de verstrekte lening(en) en/of kredieten gekoppeld zijn aan de mate waarin zekerheid kan worden verstrekt in de vorm van pandrechten. Het veelvuldig gebruik van verpandingsverboden door opdrachtgevers van de bouwonderneming kan er dus in resulteren dat banken of andere financiers minder gelden verstrekken.

Het is derhalve zaak in het kader van contractuele onderhandelingen na te gaan of sprake is van een verpandingsverbod en hierover in onderhandeling te treden met opdrachtgevers, nu het verpandingsverbod verdergaande consequenties kan hebben op het moment dat u een financiering wil verkrijgen, dan wel uw bestaande financiering wenst uit te breiden.

 

Deel deze pagina:

Contactpersoon