De redelijke termijn in het bestuursrecht3 februari 2014

Op 5 februari 2014 gepubliceerd in de Scheveningse Courant

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), gevestigd in het voormalige paleis van Willem II en Anna Pauwlona aan de Kneuterdijk, is in vele zaken die met de overheid te maken hebben de hoogste bestuursrechter.

U kan daar terecht komen als u bijvoorbeeld een geschil hebt met de gemeente over een omgevingsvergunning, over een bestemmingsplan of u krijgt uw Verklaring Omtrent Gedrag niet.

Naast de ABRvS beslissen ook de Hoge Raad der Nederlanden, het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in hoogste instantie in bestuursrechtelijke zaken. De Hoge Raad behandelt belastingzaken, het CBb behandelt economische zaken en de CRvB behandelt zaken op het gebied van sociale zekerheid, werk en inkomen.

De afgelopen jaren is er veel te doen geweest over de duur van bestuursrechtelijke procedures. Door het relatief grote aantal hoogste bestuursrechters golden er diverse maximale termijnen. Dit kwam de rechtszekerheid niet ten goede. Het is immers niet te verklaren waarom bijvoorbeeld een belastingzaak maximaal 4 jaar mocht duren en een bouwvergunningskwestie maximaal 5 jaar.

Op woensdag 29 januari 2014 heeft de ABRvS een principiële uitspraak gedaan, waarin is vastgelegd dat voor alle bestuursrechtelijke procedures een maximale termijn van 4 jaar geldt.

Waarom is dit nu van belang?

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens garandeert onder meer de eerlijke en openbare behandeling van een zaak, binnen een redelijke termijn.

De ratio van dit artikel is dat het in het belang van de met een rechtszaak geconfronteerde individu én de maatschappij is dat rechtszaken niet eindeloos voortslepen en de partijen binnen een redelijke termijn weten wat hun rechtspositie is.

Met de uitspraak van 29 januari 2014 weten wij nu dus dat voor bestuursrechtelijke procedures een maximale termijn van 4 jaar geldt. Deze termijn vangt aan bij de bezwaarfase. Uit de uitspraak is te destilleren dat de ABRvS een half jaar redelijk acht voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en twee jaar voor de behandeling in hoger beroep.

Worden deze termijnen niet gehaald dan kan de overheid verplicht worden schadevergoeding te betalen aan de partij die niet binnen de maximale termijn van 4 jaar zekerheid heeft over zijn of haar rechtspositie.

De uitspraak is gedaan met het oog op rechtseenheid en -zekerheid en daarom is voor het eerst de zogeheten Grote Kamer bijeengekomen. Met in deze de Grote Kamer de voorzitter van de ABRvS, de presidenten van het CBb en de CRvB, een lid van de Hoge Raad en een staatsraad van de ABRvS geldt diens uitspraak aldus voor de brede bestuursrechtelijke praktijk.

De uitspraak is hier in zijn geheel te lezen.

Deel deze pagina: