Huurbescherming voor ligplaatsen van woonboten11 februari 2014

Op dit moment genieten huurders van ligplaatsen van woonboten geen huurbescherming. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld huurders van standplaatsen voor woonwagens. Hier lijkt echter verandering in te komen. Op 5 februari 2014 heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangegeven op korte termijn met een voorstel tot wetswijziging te komen.

Huurders van ligplaatsen van woonboten vallen niet onder het woonruimterecht zoals vastgelegd in artikel 7:232 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 7:233 BW wordt onder woonruimte verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden. Hieronder vallen geen ligplaatsen. Voor huurders van ligplaatsen van woonboten geldt thans dan ook geen huurbescherming. Alleen de algemene huurbepalingen van artikel 7:201 e.v. van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing.

Bij brief van 5 februari 2014 heeft de minister van Wonen en Rijksdienst erkend dat wonen op het water gelijkwaardig is aan wonen op land. Een ligplaats is hiervoor een noodzakelijke voorwaarde: zonder ligplaats heeft een woonboot weinig waarde, met een ligplaats daarentegen des te meer.

De minister heeft aangegeven de huurbescherming te gaan regelen voor huurders van ligplaatsen die een permanent karakter hebben (en dus beschikken over een vergunning of ontheffing voor permanent wonen). De huurbescherming dient te gelden in het geval de eigenaar van de ligplaats een private persoon is maar ook in het geval de eigenaar van de ligplaats een publieke persoon is, zoals een gemeente of een waterschap.

Wel geeft de minister aan dat een ligplaats met zich brengt dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere eisen die een goed beheer van het water waarin de ligplaats zich bevindt nu eenmaal stelt en waarmee een woning op het land niet te maken heeft. Het gaat hier om publiekrechtelijke belangen, vaak verbonden met vaarwegen, maar ook met andere waterstaatsaspecten. Dit kan volgens de minister worden opgelost door een hierop betrekking hebbende opzeggingsgrond in te voeren. De verhuurder hoort de huur te kunnen beëindigen van een ligplaats die nog wel verhuurd is, maar niet meer (publiekrechtelijk) gebruikt mag worden.

Daarnaast geeft de minister aan dat de prijsvorming van de ligplaats moet worden overgelaten aan de betrokken partijen. Er dient volgens de minister dan ook geen huurprijsbescherming te gelden voor ligplaatsen. De achterliggende gedachte is dat huurprijsbescherming niet van toepassing is op vrije sector woningen en het alleszins redelijk is om een woonboot met een ligplaats ook tot de vrije sector te rekenen.

Het effect van het regelen van huurbescherming voor de huur van permanente ligplaatsen, is dat dergelijke huurovereenkomsten onder de betreffende regels van het Burgerlijk Wetboek zullen gaan vallen. Onder meer wordt de opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder gebonden aan wettelijke regels en kan de huur dan nog slechts eenmaal per jaar worden verhoogd.

De minister zal de benodigde wetswijziging op korte termijn ter hand nemen. Hij zal met de VNG in gesprek gaan over een modelhuurovereenkomst en een modelwoonbotenverordening waarbij zijn inzet is dat beide modellen in elk geval ter beschikking komen voor gemeenten en waterschappen.

De minister zegt overigens niets over het overgangsrecht. Het is dan ook nog niet duidelijk of de nieuwe regeling al dan niet gaat gelden voor thans lopende huurovereenkomsten.

Ik houd de nadere ontwikkelingen voor u in de gaten. Meer informatie over het huurrecht vindt u op 'Huurrecht advocaat'.

 

Deel deze pagina: