Kostenverhaal bij bestuursdwang19 februari 2014

De brand bij Chemie Pack in Moerdijk uit 2011 heeft inmiddels geleid tot een aantal gerechtelijke uitspraken over de onmogelijkheden en mogelijkheden van handhaving in geval van dreigende milieuschade.

De laatste uitspraak dateert van 19 februari 2014 en heeft specifiek betrekking op de kostenverhaalsmogelijkheden na toepassing van bestuursdwang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State spreekt zich met deze uitspraak uit over de partijen op wie de kosten verhaald kunnen worden en welke kosten precies verhaald kunnen worden. De volledige uitspraak leest u hier.

Centraal in deze uitspraak staan de besluiten van 18 en 21 januari 2011 van de minister van Infrastructuur en Milieu om jegens Chemie-Pack Nederland B.V. en de holding van de bestuurder van Chemie-Pack spoedeisende bestuursdwang toe te passen én de kosten van bestuursdwang op deze partijen te verhalen. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de minister de kosten vastgesteld.

Aanleiding voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang was niet de brand die op het terrein van Chemie-Pack in Moerdijk heeft gewoed, maar juist de vrees dat de blusmiddelen die tegen de brand waren aangewend het water van de Noordelijke Insteekhaven, de Insteekhaven Roode Vaart en het Hollandsch Diep ernstig zouden verontreinigen. Gelet op de vermoedelijk aanstaande overtreding van de artikelen 6.2 en 6.8 van de Waterwet achtte de minister van Infrastructuur en Milieu zich bevoegd tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang, als bedoeld in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht.

Chemie-Pack en de Holding maakten bezwaar tegen de hiervoor genoemde besluiten, de minister honoreerde die bezwaren gedeeltelijk en Chemie-Pack c.s. stelden beroep in bij de rechtbank. 

De rechtbank oordeelde bij uitspraak van 27 februari 2013 op het beroep - kort samengevat - dat de holding niet als overtreder in deze kwestie kon worden aangemerkt en zodoende geen onderwerp van een kostenverhaalsbesluit kan zijn.

De minister stelde hoger beroep in van dit oordeel.

De Afdeling stelt in de uitspraak een aantal belangrijke zaken vast. 

Allereerst over de bevoegdheid van de minister om handhavend op te treden. Ingevolge de Waterwet, meer specifiek ingevolge artikel 3.1 van het Waterbesluit berust het beheer van oppervlaktelichamen in beginsel bij het Rijk, tenzij de oppervlaktelichamen zijn gelegen buiten de bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen. Het Hollandsch Diep valt binnen het beheergebied van het Rijk. De Noordelijke Insteekhaven daarentegen niet. De Afdeling stelt vast dat de minister reeds daarom niet bevoegd was handhavend op te treden ten aanzien van mogelijke overtredingen van de Waterwet voor zover het de Noordelijke Insteekhaven betreft. De minister kan voor de handelingen die in de Noordelijke Insteekhaven zijn verricht dan ook geen kosten verhalen.

Dan volgt beantwoording van de vraag wie als overtreder aangemerkt kan worden. De Afdeling hanteert in deze uitspraak een brede uitleg van het overtredersbegrip. De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 5.3. namelijk als volgt: “Ten tijde van belang was [wederpartij] de enige bestuurder van Chemie-Pack Nederland B.V. Voorts was [wederpartij] de bestuurder van ZH Loonbedrijven Beheer B.V., die op haar beurt de enige aandeelhouder van Chemie-Pack Nederland B.V. was. Binnen de inrichting van Chemie-Pack Nederland B.V. was [wederpartij] de feitelijk leidinggevende, zo [wederpartij] ter zitting heeft bevestigd. [wederpartij] was de enige bestuurder en enige aandeelhouder van [wederpartij]

Als enig bestuurder van Chemie-Pack Nederland B.V. kon [wederpartij] zeggenschap uitoefenen over dat bedrijf. Voorts had [wederpartij] via [wederpartij] de feitelijke leiding in het bedrijf. Gelet hierop kan [wederpartij] verantwoordelijk worden gehouden voor de overtreding van Chemie-Pack Nederland B.V.”

De rechtbank had in dit kader juist nog uitvoerig overwogen dat de actieve, feitelijke betrokkenheid van de holding en diens bestuurder onvoldoende aannemelijk was en was gemaakt door de minister om de holding ook als overtreder aan te kunnen merken. 

Het is jammer voor de rechtsontwikkeling dat de Afdeling niet uitvoeriger op dit punt in de uitspraak ingaat, juist omdat de rechtbank zo uitvoerig is geweest in haar overwegingen om tot de tegenovergestelde conclusie te komen. Als nu aangenomen moet worden dat iedere bestuurder-natuurlijke persoon via deelneming met een holding in een andere rechtspersoon de feitelijke leiding aangemeten kan worden en zodoende als overtreder aangemerkt kan worden, is het aan de ondernemers zich goed op dergelijke constructies te bezinnen. Met de rechtbank ben ik het eens dat er wel enig bewijs voor feitelijke, dagelijkse leiding moet zijn, voordat het overtrederschap aan de bestuurder opgelegd kan worden.

Tenslotte blijkt uit deze uitspraak - niet verrassend - dat een kostenbesluit inzichtelijk dient te zijn en de opgevoerde kosten herleidbaar moeten zijn tot specifieke handelingen. Op dit laatste punt krijgt de minister nog een huiswerkopdracht mee. De Afdeling maakt wat dit besluit betreft nog gebruik van haar bevoegdheid ex artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat een eventuele discussie over het kostenbesluit na de nieuwe beslissing op bezwaar direct terugkomt bij de Afdeling en niet eerst via de rechtbank doorgeprocedeerd behoeft te worden.

 

Al met al een nuttige uitspraak voor de handhavingspraktijk. Let goed op de wettelijke grondslag voor handhaving. Immers, zonder wettelijke grondslag, geen bevoegdheid en dus ook geen kostenverhaal. En ga goed na welke partijen bij de overtreding betrokken zijn, want ookal hanteert de Afdeling de brede uitleg van het overtredersbegrip, de kring van overtreders is niet onbegrensd.

Deel deze pagina: