Thuiswonende zoon (57) mag na overlijden van moeder de huurovereenkomst niet voortzetten.20 februari 2014

De wet biedt een samenwoner een mogelijkheid om de huurovereenkomst met de verhuurder voort te zetten als de hoofdhuurder komt te overlijden. Deze mogelijkheid wordt echter niet gauw gehonoreerd.

De wet biedt via artikel 7:268 lid 2 BW de mogelijkheid aan een samenwoner om een huurovereenkomst na overlijden van de huurder voort te zetten. Een beroep op dit artikel moet binnen zes maanden na overlijden van de huurder middels een verzoekschrift bij de kantonrechter kenbaar worden gemaakt. De samenwoner dient dan ieder geval aan te kunnen tonen dat hij met de huurder een 'duurzaam gemeenschappelijke huishouding' voerde. Dient de samenwoner niet tijdig een verzoek in of voldoet hij niet aan het criterium 'duurzaam gemeenschappelijke huishouding' dan moet de samenwoner het gebruik van de woning staken.

Recent heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dit onderwerp. Een inwonende zoon van 57 jaar mocht de huurovereenkomst van zijn moeder, die kort daarvoor was overleden, niet voortzetten, omdat geen sprake was van een 'duurzaam gemeenschappelijke huishouding'. De volledige uitspraak leest u hier.

Het komt nog met enige regelmaat voor dat inwonende kinderen niet tijdig aan de verhuurder een verzoek doen om medehuurder te worden en dan uiteindelijk na het overlijden van de huurder de woning noodgedwongen moeten verlaten. Hoe kan dit?

In de rechtspraak gaat men er vanuit dat de aanwezigheid van een inwonend, meerderjarig kind een aflopende samenlevingssituatie is. Kinderen worden geacht op een gegeven moment 'uit te vliegen'. De vraag of tussen het inwonende, meerderjarige kind en de ouder een 'duurzaam gemeenschappelijke huishouding' bestaat is afhankelijk van de objectieve waardering van de omstandigheden die de relatie tussen de ouder en het kind kleuren. Daarbij kunt u denken aan een verzorgingstaak van het kind richting de ouder, het meebetalen van de kosten van de huishouding (waaronder de huur), het gezamenlijk op vakantie gaan etc. Duidelijk moet worden dat sprake is van een bijzondere situatie waarbij kind en ouder er bewust voor hebben gekozen om samen te blijven wonen en dat geen sprake meer is van een vanzelfsprekende kind-ouder relatie. Er moet sprake zijn van 'wederkerigheid'.

Ik raad inwonende, meerderjarige kinderen aan om tijdig na te denken over het aanvragen van de status van medehuurder en niet te wachten tot het laatste moment. Op die manier kunnen vervelende situaties worden voorkomen.  

 

Deel deze pagina:

Contactpersoon