Is uw cessie- of verpandingsverbod dode letter?28 april 2014

In overeenkomsten of algemene voorwaarden komt nogal eens een cessie- of verpandingsverbod voor. Dit betekent dat het de debiteur niet is toegestaan om vorderingen te cederen of te verpanden. Reden hiervoor kan zijn dat een debiteur niet geconfronteerd wil worden met een andere dan zijn oorspronkelijke schuldeiser.

Partijen kunnen met een dergelijk verbod verbintenisrechtelijke werking hebben beoogd. Dit houdt in dat de cessie of verpanding in strijd met het verbod tot een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst resulteert (wanprestatie). Er vindt dan wel een rechtsgeldige overdracht of vestiging van het pandrecht op de vordering plaats. Men kan daarentegen ook goederenrechtelijke werking hebben beoogd. In dat geval gaat het om een contractuele uitsluiting van de overdraagbaarheid zoals bepaald in artikel 3:83 lid 2 BW.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0168) geoordeeld dat een cessieverbod, zoals omschreven in artikel 3:83 BW, niet resulteert in beschikkingsonbevoegdheid, maar tot onoverdraagbaarheid van de vordering. Wordt in strijd met een dergelijk beding gehandeld, dan kan dit niet leiden tot een geldige overdracht of verpanding van de vordering. Op dit arrest is de nodige kritiek geweest. Door gebruik te maken van een cessieverbod met goederenrechtelijke werking, ontstaat namelijk een situatie waarin de debiteur zijn vordering niet kan cederen of verpanden aan een bank, waardoor de financiering van zijn onderneming bemoeilijkt wordt. De bank wenst immers zekerheid dat zij de gelden die u worden geleend worden terugbetaald, zo nodig door haar pandrecht op vorderingen die u heeft uit te winnen. Wanneer er als gevolg van het cessie- of verpandingsverbod met goederenrechtelijke werking minder vorderingen aan de bank kunnen worden verpand, zal zij ook minder gelden aan u willen lenen.

Recent heeft de Hoge Raad zich nogmaals over de kwestie uitgelaten (ECLI:NL:HR:2014:682). In de zaak tussen Coface en Intergamma ging het om een cessieverbod dat Intergamma had opgenomen in haar algemene inkoopvoorwaarden. In die bepaling was vermeld dat overdracht van vorderingen op Intergamma niet was toegestaan zonder haar voorafgaande schriftelijke toestemming. Een toeleverancier van Intergamma had haar vorderingen op Intergamma toch aan Coface gecedeerd. Intergamma moest daardoor dus niet meer aan haar leverancier, maar aan Coface betalen. Toen Intergamma desalniettemin betalingen verrichtte aan de toeleverancier, beriep Coface zich op de cessie en stelde zich op het standpunt dat niet bevrijdend was betaald. Intergamma beriep zich vervolgens op het cessieverbod uit haar algemene inkoopvoorwaarden en stelde zich op het standpunt dat de cessie door de toeleverancier aan Coface niet rechtsgeldig had plaatsgevonden. Het gerechtshof volgde de stellingname van Intergamma en overwoog, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, dat bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel met het cessieverbod goederenrechtelijke werking werd beoogd.

Coface ging van deze beslissing in cassatie. De Hoge Raad oordeelde nadien dat de door het gerechtshof gehanteerde uitlegregel dat een contractueel cessieverbod in beginsel gekwalificeerd dient te worden als een verbod met goederenrechtelijke werking onjuist is. Zij overweegt daartoe in rechtsoverweging 3.4.2:

"Een beding als het onderhavige, dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat er toe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf (zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Als uitgangspunt bij de uitleg van de bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat ze uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 is beoogd."

De zaak is vervolgens verwezen naar het gerechtshof om te beoordelen of aan de hand van genoemd criterium het cessieverbod uit de algemene inkoopvoorwaarden van Intergamma goederenrechtelijke dan wel verbintenisrechtelijke werking heeft.

Maakt u in uw overeenkomsten en/of algemene voorwaarden gebruik van een cessie of verpandingsverbod, zorg dan dat onomstotelijk uit die stukken valt op te maken dat goederenrechtelijke werking wordt beoogd. Laat u dit na, dan is het risico aanwezig dat aan de bepaling slechts verbintenisrechtelijke werking wordt toegekend en derhalve wel degelijk een rechtsgeldige overdracht of verpanding van de vordering zal plaatsvinden

Zie over het verpandingsverbod ook mijn eerdere artikel van 22 november 2013: 'Het verpandingsverbod in de aannemerij'.

Binnenkort zal Geelkerken Linskens Advocaten extra aandacht besteden aan het onderwerp algemene voorwaarden. Dit kan een ideaal moment zijn uw algemene voorwaarden te laten actualiseren. Houdt u hiervoor de aankondigingen onder 'Nieuws' in de gaten.

Mocht u nog vragen hebben, schroomt u dan niet contact op te nemen.

Deel deze pagina: