Wat vindt de Afdeling?13 mei 2014

Elke maand bespreek ik een aantal recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Deze maand betreft het uitspraken over de vraag of een woonboot een bouwwerk is, hoe in verband met het toekennen van nadeelcompensatie het normaal maatschappelijk risico moet worden vastgesteld en de toets van de benodigde laad- en losruimte bij het verlenen van een omgevingsvergunning.

ABRvS 16 april 2014 (201306684/1): Een woonboot kan een bouwwerk zijn

Voor het bouwen van een bouwwerk is op grond van artikel 2.1 van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. Het begrip bouwwerk is in de Wabo niet omschreven. Voor de uitleg van dit begrip wordt aansluiting gezocht bij de modelbouwverordening, die een bruikbare omschrijving van het begrip bouwwerk omvat. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".
Naar het oordeel van de ABRvS is de onderhavige woonboot een bouwwerk in de zin van artikel 2.1 van de Wabo. Hiertoe overweegt de ABRvS dat de woonboot bestaat uit een constructie van enige omvang die op indirecte wijze met de grond is verbonden door middel van een afhouder, een loopplank, een tros en twee stalen kabels, die aan in de kade verankerde bolders zijn bevestigd en aansluitingen op nutsvoorzieningen. Bij de beantwoording van de vraag of de woonboot als bouwwerk moet worden aangemerkt, is niet bepalend hoe die verbondenheid fysiek is vormgegeven, maar is doorslaggevend dat de woonboot is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat de woonboot niet zelfstandig kan varen en sinds 1954 vrijwel onafgebroken op dezelfde plaats ligt. De vraag of de woonboot als bouwwerk is te kwalificeren moet niet alleen worden bezien aan de hand van de wijze waarop het object met de grond is verbonden, maar ook aan de hand van de aard en de hoedanigheid van het object alsmede het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
De omstandigheid dat de woonboot een roerende zaak in de zin van artikel 3:3 van het BW is, is niet bepalend voor de vraag of de woonboot al dan niet een bouwwerk is. Voorts is de enkele omstandigheid dat in de toelichting bij het Bouwbesluit wordt opgemerkt dat een woonboot geen bouwwerk in de zin van de Woningwet is, niet beslissend voor het oordeel over de vraag of een woonboot al dan niet een bouwwerk is, nu deze opmerking niet in de tekst van het Bouwbesluit is neergelegd maar slechts in de toelichting is opgenomen, terwijl de Wabo geen bepaling bevat die een woonboot uitzondert van het toepassingsbereik ervan.
Deze uitspraak van de ABRvS is opmerkelijk omdat de ABRvS in de uitspraak van 8 mei 2013 (201201123/1) nog oordeelde dat woonboten die met behulp van afhouders en afmeertouwen aan de kade waren verbonden geen bouwwerken zijn. Hiertoe overwoog de ABRvS dat, nu de woonboten niet aan meerpalen die in de bodem zijn geplaatst worden verankerd, niet zodanig aan de grond zijn verbonden dat deze zijn aan te merken als bouwwerken. Dat de woonboten zullen worden aangesloten op nutsvoorzieningen en op het riool gaf de ABRvS geen grond voor een ander oordeel, nu dergelijke aansluitingen eenvoudig zijn af te koppelen.    

ABRvS 9 april 2014 (201211639/1): Nadeelcompensatie en normaal maatschappelijk risico

Het kan zijn dat een bestuursorgaan door de uitoefening van zijn rechtmatige publieke taken schade berokkent die een benadeelde onevenredig zwaar treft. In dat geval heeft deze benadeelde recht op nadeelcompensatie voor zover de schade uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico.
In het onderhavige geval betrof het de uitvoering van een kustversterkingsplan dat tot gevolg had dat het uitzicht op zee vanuit de appartementen van de benadeelden verminderde met een waardedaling van deze appartementen tot gevolg. 
De ABRvS oordeelt dat de omstandigheid dat de schade het gevolg is van een normale maatschappelijke ontwikkeling (zoals de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van een goede en veilige kustverdediging) nog niet betekent dat de schade reeds daarom binnen het normaal maatschappelijk risico valt.
De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan. Dit komt daarbij beleidsvrijheid toe. Wel zal het bestuursorgaan zijn vaststelling naar behoren moeten onderbouwen.
In beginsel is het met het oog op de uniformiteit en de voorspelbaarheid van de eventuele vergoeding van schade aanvaardbaar dat het bestuursorgaan bij het normaal maatschappelijk risico werkt met een vaste drempel. Wel zal het bestuursorgaan, als daartoe op grond van de door de benadeelde verschafte gegevens aanleiding bestaat, moeten beoordelen of deze drempel ook onverkort toepassing kan vinden in de omstandigheden van het individuele geval. Naarmate een bestuursorgaan een hoger percentage als drempel hanteert, geldt dat er zwaardere eisen aan de motivering worden gesteld.   

ABRvS 26 maart 2014 (201303621/1): Beoordelingen geschiktheid laad- en losruimte, ook bij gelijkblijvende behoefte

Artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening van de meeste gemeenten bepaalt dat indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate moet zijn voorzien in of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
In het onderhavige geval betrof het een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dubbele deur in de zijgevel van een kantoorgebouw. Deze deur zou worden gebruikt voor het aanvoeren van goederen. Het college en de rechtbank waren van mening dat artikel 2.5.30 van de bouwverordening niet aan het verlenen van deze omgevingsvergunning in de weg stond, nu het bouwplan niet leidt tot een toename van de behoefte voor laad- en losruimte.
De ABRvS oordeelt evenwel dat de vraag of de behoefte aan laad- en losruimte toeneemt dient te worden onderscheiden van de vraag of de geschiktheid van bestaande ruimte voor laden en lossen ten gevolge van het bouwplan verandert. De gelijkblijvende behoefte laat immers onverlet dat de plaats die wordt voorzien voor parkeren of laden en lossen daarvoor geschikt moet zijn. Met andere woorden: Niet kan worden volstaan met de conclusie dat de behoefte aan laad- en losruimte niet toeneemt, eveneens zal moeten worden beoordeeld of de laad- en losruimte geschikt zal blijven.

Deel deze pagina:

Contactpersoon