Goed nieuws voor overheden bij het bedingen van een vergoeding voor gebruik van de openbare ruimte26 mei 2014

Bij vonnis d.d. 21 mei 2014 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat het Hoogheemraadschap van Rijnland met het bedingen van een gebruiksvergoeding (huur) voor het gebruik van "het water" in de Ringvaart, dat aan hem in eigendom toebehoort, als ligplaats voor een woonboot, de regeling over precariobelasting niet doorkruist. 

Rijnland heeft, na de fusie tussen de waterschappen Groot-Haarlemmermeer, Wilck en Wiericke, de Oude Rijnstromen en het Hoogheemraadschap van Rijnland in 2005, besloten een uniform eigendommenbeleid in te voeren, met marktconformiteit als uitgangspunt. Rijnland wenste ondermeer een privaatrechtelijke vergoeding (huur) te verkrijgen voor het gebruik van "het water" in de Ringvaart als ligplaats voor een woonboot. Diverse woonbootbewoners hebben niet ingestemd met de aangeboden huurovereenkomst. Rijnland heeft, in het kader van een proefprocedure, ontruiming gevorderd van de ligplaatsen die volgens Rijnland zonder recht of titel in gebruik zijn.

De rechtbank heeft ten eerste geoordeeld dat het innemen van een ligplaats in de Ringvaart een vorm van bijzonder gebruik is. De omstandigheid dat het bestemmingsplan zich niet tegen dat gebruik verzet (de woonboten zijn gelegen binnen de bestemming "ligplaats voor woonschepen"), brengt niet mee dat geen sprake is van bijzonder gebruik. Ook al is het gebruik publiekrechtelijk toegestaan en is op grond van de Keur voor bepaalde handelingen een publiekrechtelijke toestemming (vergunning) verleend, dan betekent dit nog niet dat Rijnland dat bijzondere gebruik van de Ringvaart moet dulden. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 november 2012 (Rijnland/Götte), waarbij door de Hoge Raad - kort gezegd - werd geoordeeld dat de publiekrechtelijke bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het verbod in de Keur moet worden onderscheiden van de privaatrechtelijke bevoegdheid toestemming te geven voor het gebruik van het water en de waterbodem. Een verleende ontheffing impliceert niet zonder meer een privaatrechtelijke toestemming tot een bepaald bijzonder gebruik.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat Rijnland met het bedingen van een gebruiksvergoeding (huur) voor zijn grond, nog los van de vraag of het vragen van een privaatrechtelijke vergoeding voor gebruik van grond en dus het genereren van inkomsten uit vermogen, behartiging van hetzelfde belang is als het heffen van precariobelasting gebaseerd op gebruik van die grond, de regeling over precariobelasting niet doorkruist. De wetgever heeft volgens de rechtbank bij het verlenen van de bevoegdheid om precariobelasting te heffen voor het hebben van voorwerpen in, op of boven de eigen grond van het heffende lichaam, welk gebruik die overheid niet hoeft te dulden, niet de bedoeling gehad privaatrechtelijke afspraken uit te sluiten over dergelijk gebruik van haar grond inclusief het bedingen van een vergoeding daarvoor.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat uitgangspunt is dat een door de overheid voor het gebruik van haar eigendommen bedongen tegenprestatie in een geval waarin dat gebruik publiekrechtelijk is toegestaan niet zodanig hoog of bezwaarlijk mag zijn dat die publiekrechtelijke toestemming in feite geen betekenis meer heeft. Daarvan is volgens de rechtbank geen sprake zolang de tegenprestatie een marktconform niveau niet overstijgt.

Dit vonnis van de rechtbank is van belang voor de overheidspraktijk waarbij de overheid, als eigenaar, een vergoeding wil bedingen voor het bijzonder gebruik van de openbare ruimte zoals het gebruik van openbaar water als ligplaats voor een woonboot maar bijvoorbeeld ook het gebruik van de openbare weg als standplaats. Zij kan een vergoeding bedingen via de weg van de precariobelasting maar het staat haar dus ook vrij de vergoeding langs privaatrechtelijke weg te bedingen.

Voor zover een publiekrechtelijke vergunning/ontheffing is verleend voor het gebruik van de openbare ruimte, kan de privaatrechtelijke toestemming overigens niet zonder meer worden geweigerd. Dit heeft de Hoge Raad uitgemaakt in het arrest d.d. 5 juni 2009 (Amsterdam/Geschiere). Indien de overheid echter een vergoeding wil bedingen maar hiermee wordt niet ingestemd, mag de privaatrechtelijke toestemming wel worden geweigerd. De vergoeding mag volgens de rechtbank blijkens het vonnis niet zodanig hoog of bezwaarlijk zijn dat die publiekrechtelijke toestemming in feite geen betekenis meer heeft. Daarvan is volgens de rechtbank evenwel geen sprake zolang de tegenprestatie een marktconform niveau niet overstijgt.

Rijnland is in deze zaak bijgestaan door onze kantoorgenoot Willemijn Lever. Heeft u hierover vragen, dan kunt u vrijblijvend contact met haar opnemen.

Deel deze pagina: