De wachttijd bij dringend eigen gebruik26 mei 2014

In artikel 7:296 lid 2 BW is een wachttermijn van drie jaar opgenomen. Deze geldt op het moment dat een verhuurder van bedrijfsruimte in de zin van 7:290 BW (winkelruimte) een beroep wil doen op dringend eigen gebruik en deze nog geen drie jaar eigenaar is. Op deze regel zijn enkel de in de wet genoemde uitzonderingen van toepassing (zoals vererving).

In zijn arrest van 24 september 2010 (Toko Mitra/PMT) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze wachttijdregeling alleen geldt voor een opzegging gedaan tegen het einde van de in artikel 7:292 lid 1 BW bedoelde eerste termijn, dat wil zeggen de termijn waarvoor de huurovereenkomst aanvankelijk is aangegaan (meestal vijf jaar). De regeling geldt niet voor een opzegging gedaan voor het einde van de tweede termijn als bedoeld in artikel 7:292 lid 2 BW, dat wil zeggen de termijn waarmee de duur van de huurovereenkomst is verlengd (meestal eveneens vijf jaar).

Het arrest Toko Mitra/PMT heeft in de literatuur veel stof doen opwaaien, omdat lezing van de wet niet bepaald leidt tot de uitleg die de Hoge Raad eraan heeft gegeven. Ook uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling heeft gehad een wijziging te beogen ten opzichte van het vóór 1 augustus 2003 geldende huurrecht.

In het arrest Aldi Vastgoed B.V./verweerster van 25 april jl. heeft de Hoge Raad zich opnieuw uitgelaten over de toepasselijkheid van de wachttijdregeling. De Hoge Raad handhaaft zijn oordeel als genoemd in het arrest Toko Mitra/PMT en volgt daarin de conclusie van de A-G. Kortom, een rechtsopvolger van het oorspronkelijk verhuurder hoeft dus bij een opzegging tegen de tweede termijn geen wachttijd van drie jaar in acht te nemen. De wachttijdregeling is in de praktijk dus van blijvend minder relevantie geworden. 

Deel deze pagina:

Contactpersoon