Wat een beestenboel! Eigendomsvoorbehoud op biggen...26 mei 2014

De rechtbank Gelderland heeft op 19 maart 2014 uitspraak gedaan in een conflict tussen een leverancier van biggen en een leverancier van varkensvoer. Inzet waren de biggen. Beide leveranciers waren niet betaald. De ene leverancier claimde een eigendomsvoorbehoud, de andere een pandrecht. Uiteraard op dezelfde biggen, inmiddels volgroeid tot (slacht)varkens.

In deze uitspraak gaat de rechter onder meer in op de juridische positie van dieren en op het (juridische) verschil tussen een ei, een big, een veulen en …… een bankbiljet. Tot slot blijkt de oplossing voor een juridisch ingewikkelde kwestie toch weer verrassend praktisch te zijn.

Wat was er gebeurd?

Nu er tenminste 4 partijen waren betrokken en er vele beslagen en claims over en weer waren gelegd, volgt hier een vereenvoudigde versie van de feiten. Givar heeft 1250 biggen geleverd aan X en stelt daarbij een eigendomsvoorbehoud te hebben bedongen. Daarmee zou Givar dus eigendom van de biggen blijven totdat de koopsom zou zijn betaald. AgriUniek heeft varkensvoer geleverd aan X en daarbij een pandrecht verkregen op de biggen. Daarmee zou AgriUniek zich op de biggen kunnen verhalen indien zij niet zou worden betaald. Beide leveranciers blijven inderdaad onbetaald. AgriUniek legt als eerste (pandhouders)beslag op ruim 5000 varkens en biggen onder X. Daarbij wordt door de kantonrechter een ruraal bewaarder c.q. bedrijfsvoerder aangesteld. Tegen de tijd dat de varkens rijp zijn voor de slacht legt Givar op grond van haar eigendomsvoorbehoud beslag tot afgifte op circa 1250 varkens. Deze beslagen zijn strijdig met elkaar, het is vervolgens aan de rechtbank te beslissen welk recht voorgaat: het pandrecht van AgriUniek of het eigendomsvoorbehoud van Givar.

Juridische positie van het dier

De rechtbank merkt als eerste op dat een dier sinds 1 januari 2013 juridisch niet meer als 'zaak' of 'stoffelijk object' wordt gezien. Dit vloeit voort uit de Wet Dieren van 19 mei 2011 en is geregeld in art. 3:2a lid 1 BW. In de parlementaire geschiedenis is met name gewezen op de eigen intrinsieke waarde van het dier, dieren zijn levende wezens met gevoel. In praktische zin betekent dit vooral dat met dieren anders moet worden omgegaan dan met doorsnee stoffelijke voorwerpen. Namelijk met het respect dat past bij levende wezens. Lid 2 van art. 3:2a BW bepaalt vervolgens dat wettelijke bepalingen met betrekking tot zaken wel op dieren van toepassing zijn, echter met inachtneming van de wettelijke en ongeschreven beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede met inachtneming van de openbare orde en de goede zeden.

Hamvraag…

Het draait in deze zaak om de (mogelijke) juridische gevolgen van het opfokken van biggen tot (slacht)varkens. Er zijn verschillende juridische stellingnames denkbaar:

  1. De big en het varken is één en hetzelfde dier, de oorspronkelijke eigenaar blijft eigenaar.
  2. Door aan de big (hoofdzaak) varkensvoer (bestanddeel) toe te voegen wordt een nieuw dier gecreëerd: een varken. De eigenaar van de hoofdzaak (de big) wordt eigenaar van het varken (voor de fijnproever: art. 5:16 lid 1 jº 5:14 lid 1 BW).
  3. Big en varkensvoer worden als gelijkwaardige bestanddelen beschouwd. Uit deze bestanddelen wordt een nieuw dier gevormd en de eigenaren van de big en van het varkensvoer worden gezamenlijk eigenaar van het varken (idem: art. 5:16 lid 1 jº 5:14 lid 2 BW).
  4. De varkensfokker X vormt voor zichzelf een nieuwe zaak door een big te kopen, varkensvoer te kopen en deze bestanddelen samen te voegen en het dier te verzorgen. De varkensfokker wordt daarmee eigenaar (idem: art. 5:16 lid 2 BW).

Veel hangt dus af van de vraag hoe je de verschillende bestanddelen (big, voer, verzorging) kwalificeert en waardeert ten opzichte van elkaar. Of iets een hoofdzaak of een bestanddeel is, wordt niet alleen bepaald door de economische waarde daarvan, maar eveneens door de verkeersopvattingen. Hetzelfde geldt voor het vormen van een nieuwe zaak 'voor zichzelf', ook daar speelt de waarde c.q. de kosten van het vormen een belangrijke rol.

Big, ei, veulen en bankbiljet

Voor de rechter aan beantwoording van bovenstaande vraag toekomt, stelt hij eerst nog een belangrijke voorvraag. Namelijk of de 1250 biggen individuele dieren zijn of dat er sprake is van "soortzaken" (net als 100 kg aardappelen). Deze voorvraag is zeer relevant. Indien biggen soortzaken zouden zijn, zou het specifieke eigendom daarvan vervallen op het moment dat deze biggen in de stallen worden samengevoegd met andere biggen. Het eigendom op 1250 specifieke biggen wordt dan vervangen door een recht ter grootte van 1250 (willekeurige) biggen. Net zoals wanneer 100 kg losse aardappelen van de boer bij de handelaar in diens magazijn aan de grote hoop wordt toegevoegd.

De rechter vergelijkt de ontwikkeling van big tot varken enerzijds met de ontwikkeling van ei tot kuiken (Hoge Raad 24 maart 1995: Hollander's Kuikenbroederij/Raiffeisenbank) en anderzijds met de ontwikkeling van veulen tot paard. De big houdt het midden. Het is geen soortzaak zoals een ei, maar ook niet te vergelijken met een individueel dier als een veulen dat meestal vanaf de geboorte al een stamboek heeft of anderszins is geïndividualiseerd.  Het feit op grond waarvan de rechter de knoop doorhakt, is een belangrijke vingerwijzing voor de praktijk. Ter zitting werd duidelijk dat iedere big ten tijde van de levering door Givar aan X was voorzien van een oormerk met een individueel nummer.

Nu behoeft een individueel nummer niet doorslaggevend te zijn. Een bankbiljet heeft bijvoorbeeld ook een individueel nummer, maar toch speelt dat nummer in het maatschappelijk verkeer geen rol (alleen de waarde van het biljet). Dit ligt anders bij biggen, aldus de rechtbank. De rechter kent aan de individuele oornummers van biggen (terecht) een grotere betekenis toe en oordeelt dat de biggen in casu individuele dieren waren en dat de bepalingen omtrent soortzaken niet op deze biggen van toepassing zijn.

Bewijs het maar!

Dit betekent dat indien Givar een rechtsgeldig eigendomsvoorbehoud op de biggen heeft gevestigd, dat eigendomsvoorbehoud niet teniet is gegaan door de samenvoeging van de biggen met duizenden andere biggen in de stallen van X. Dat betekent weer dat X niet beschikkingsbevoegd was om daarop ten gunste van AgriUniek een pandrecht te vestigen. Givar maakt dus een goede kans om de strijd te winnen. Echter nu dient Givar haar eigendomsvoorbehoud op de specifieke 1250 biggen ook nog te bewijzen. Zie hierover ook het eerdere artikel Eigendomsvoorbehoud, bewijs het maar!

Om haar eigendomsrecht aan te tonen zal Givar dus moeten aantonen welke 1250 specifieke biggen - welke oornummers - zij aan X heeft verkocht en geleverd. Ergens in de koopovereenkomst of in de transportdocumenten zullen er 1250 nummers moeten zijn genoteerd. Givar mag hiervoor nader bewijs aanleveren.

Met deze uitspraak wordt de praktijk er opnieuw op gewezen dat een (verlengd) eigendomsvoorbehoud in de algemene voorwaarden en het ter hand stellen / toesturen van de algemene voorwaarden aan uw contractspartij niet in alle gevallen afdoende is. Vereiste is ook dat u kunt bewijzen welke specifieke zaken (of dieren) u heeft geleverd. Het is de vraag of Givar de moeite heeft genomen ergens de 1250 oornummers van deze levering te noteren.

Bel of mail ons gerust als u zich afvraagt of uw eigendomsvoorbehoud wel in stand blijft. Enkele praktische aanpassingen kunnen juridisch een enorm verschil maken!

Deel deze pagina:

Contactpersoon