Onrechtmatige wetgeving: geen verbod op pelsdierhouderijen27 mei 2014

De rechtbank Den Haag heeft op 21 mei 2014 een bijzondere uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2014:6161). De rechtbank heeft de Wet verbod pelsdierhouderijen buiten werking gesteld. De Wet maakt volgens de rechtbank een onrechtmatige inbreuk op het eigendom van de pelsdierhouders.

De pelsdierhouders hebben de vordering tot het buiten werking stellen van de Wet gebaseerd op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit artikel beschermt het eigendomsrecht, van zowel particulieren als bedrijven en instellingen. Het artikel geeft overheden evenwel het recht het eigendomsrecht te beperken zolang de beperking noodzakelijk is in het algemeen belang en de beperking bij wet geregeld is.

In de uitspraak behandelt de rechtbank op zeer inzichtelijke wijze hoe aan artikel 1 EP getoetst moet worden. Na de constatering dat de beperking van het eigendom voorzien is bij wet in formele zin dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de beperking ook noodzakelijk is in het algemeen belang en of de maatregel proportioneel is gelet op de met de wet te dienen belangen..

Ook aan de toets van het algemeen belang voldoet de Wet naar het oordeel van de rechtbank, waarbij zij overigens wel uitdrukkelijk overweegt dat de rechtbank maar een zeer beperkte toetsingsruimte toekomt in dit kader. Bovendien meent de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de Wet kennelijk zonder enige redelijke motivering is vastgesteld.

De rechtbank gaat vervolgens in op de proportionaliteitstoets. De rechtbank gaat na hoe de wettelijke maatregelen zich verhouden tot de belangen van de pelsdierhouders en welke compenserende maatregelen door de Staat zijn getroffen ter beperking van de gevolgen van het verbod op de pelsdierhouderijen.

De rechtbank stelt vast dat er feitelijk maar één compenserend maatregel getroffen is en dat is die van de uitfaseringsperiode. De pelsdierhouders hebben namelijk tot 1 januari 2024 de tijd om hun bedrijfsactiviteiten te beëindigen. De pelsdierhouders hebben evenwel gesteld dat de schade wegens de Wet reeds nu ontstaat: gebrek aan financieringsmogelijkheden, wegloop van personeel etc. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de uitfaseringsperiode naar haar aard niet als compenserende maatregel kan worden geduid.

Dat in de Wet de bevoegdheid voor de minister is opgenomen om bij AmvB flankerende compenserende maatregelen te treffen biedt volgens de rechtbank ook niet voldoen bescherming aan de pelsdierhouders, temeer daar de AmvB pas in voorbereiding is.

De rechtbank concludeert: “Nu derhalve vanaf 15 januari 2013 sprake is van regulering van eigendom en per 1 januari 2024 sprake zal zijn van een zeer zware vorm van regulering van eigendom, ten gevolge waarvan de pelsdierhouders ernstig financieel (zullen) worden getroffen, zonder dat op dit moment kan worden vastgesteld dat hen daarvoor enige, laat staan adequate, vergoeding is/zal worden geboden, is geen sprake van fair balance.”

De rechtbank stelt de wet buiten werking.

Het komt niet vaak voor dat de rechter ingrijpt in het wetgevingsproces. De scheiding der machten verhinderd dat. De laatste jaren leiden collectieve acties evenwel steeds vaker tot vorderingen tot buitenwerkingstelling van wettelijke regelgeving. Zo hebben de particuliere verhuurders onlangs nog hun strijd tegen de Wet verhuurderheffing bij rechtbank Den Haag verloren (ECLI:NL:RBDHA:2013:16373). Maar de topfunctionarissen behaalden een kleine winst met de buitenwerkingstelling van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting, al kregen ook zij nul op rekest in hun strijd tegen de Wet normering topinkomens. De rechtbank oordeelde dat die regeling niet voldeed aan het ‘fair balance’ vereiste en stuurde de minister daarmee terug naar de tekentafel (ECLI:NL:RBDHA:2013:14466). In een procedure aangespannen door kunstenaars werd de Staat teruggestuurd naar de tekentafel wegens het ontbreken van passend overgangsrecht bij de intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921).

Uit elk van deze uitspraken blijkt dat het kabinet, de Tweede en de Eerste Kamer, als wetgevende macht veel ruimte hebben als het aan komt op beleidsmatige keuzes en te realiseren beleidsdoelen. Op die “wide margin of appreciation” stuiten de vorderingen dan ook meestal af: de rechter kan en mag niet beoordelen of de beleidskeuzes en –doelen de juiste zijn.

De rechter maakt echter wel gebruik van zijn bevoegdheid om de onevenredige gevolgen van die keuzes niet voor de individu maar voor rekening van de samenleving te laten komen. Dat lijkt mij een juiste toepassing van de bevoegdheid die de rechter heeft.

Voorlopig kunnen de pelsdierhouders dus door met hun bedrijven. De Staat zal echter niet stilzitten. Wellicht wordt hoger beroep of zelfs cassatie ingesteld. Daarnaast zal het kabinet wellicht een nieuwe (aanpassings)wet in procedure brengen om te voorzien in de door de rechter geconstateerde gebreken. 

Deel deze pagina: