Ruimere aansprakelijkheid voor de indirect bestuurder van een BV9 juli 2014

In deze zaak (HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204) gaat de Hoge Raad in op de vraag of er sprake is van een onrechtmatige daad van de indirect bestuurder tegen de BV. Een indirect bestuurder is een persoon die via een tussenschakel, veelal een BV, bestuurder is van een BV.

De zaak

A is enig bestuurder van Holding BV. Die BV is op haar beurt enig bestuurder van Bouwbedrijf BV. Daarmee is A dus indirect bestuurder van Bouwbedrijf BV. In de maanden voorafgaand aan het faillissement van Bouwbedrijf BV bevordert A dat Bouwbedrijf BV betalingen verricht aan Holding BV tot bijna € 200.000. Bouwbedrijf BV gaat failliet op 16 maart 2004. Bijna twee jaar later (13 december 2005) gaat Holding BV ook failliet.

De procedure

De curator van Bouwbedrijf BV vordert in de procedure bij de rechtbank een verklaring voor recht dat A onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren van Bouwbedrijf BV. Hij vordert ook betaling van het hiervoor genoemde geldbedrag van bijna € 200.000 dat aan de boedel werd onttrokken. De hiervoor geschetste omstandigheden zouden een onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek) van A jegens Bouwbedrijf BV zijn. De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af.

Er wordt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof vernietigt vervolgens het vonnis van de rechtbank en neemt aansprakelijkheid van A aan. Volgens het gerechtshof wist of behoorde A namelijk te weten dat een ernstig risico van faillissement van Bouwbedrijf BV bestond. Het kon dan ook aan A worden toegerekend dat hij de betalingen in kwestie van Bouwbedrijf BV aan Holding toch had bevorderd.

A komt in cassatie tegen deze uitspraak. Kort gezegd, betoogt hij dat het gerechtshof een onjuist of onvoldoende onderbouwd oordeel heeft gegeven over zijn persoonlijke aansprakelijkheid als indirect bestuurder van Bouwbedrijf BV. Zo zou het gerechtshof moeten onderzoeken of en in hoeverre A, nog los van zijn kennis van een mogelijk faillissement, wist of behoorde te weten van daadwerkelijke benadeling van de crediteuren van Bouwbedrijf BV. De Hoge Raad wijst dit van de hand. Hij voert daartoe aan dat deze zaak dusdanig veel overeenkomsten heeft met de zaak Ontvanger / X uit 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AZ0758), dat in de zaak van A dezelfde maatstaven moeten worden toegepast. In de zaak uit 2006 ging het overigens om benadeling van schuldeisers door een direct bestuurder, terwijl A indirect bestuurder is.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens: “Aldus ligt in het bestreden oordeel besloten dat A wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de betalingen door Bouwbedrijf BV tot gevolg zouden hebben dat Bouwbedrijf BV andere verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, zodat hem van het bevorderen van die betalingen persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Derhalve geeft het door de klacht bestreden oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.”

Tot slot

Kortom, de criteria die vanaf 2006 reeds golden bij benadeling van schuldeisers door een direct bestuurder zijn van overeenkomstige toepassing op benadeling door indirect bestuurders.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, neem dan gerust contact op met één van onze advocaten van de praktijkgroep onderneming.

Deel deze pagina: