Alfahulp: wie is de werkgever?31 augustus 2014

In Nederland werkten in 2013 naar schatting 150.000 huishoudelijk werkers en daarnaast nog 80.000 alfahulpen, 50.000 pgb-zorgverleners en 10.000 gastouders onder de Regeling Dienstverlening aan Huis. Sinds 2007 wordt in deze regeling de rechtspositie van werknemers die bij een particuliere werkgever aan huis werken bepaald. Medewerkers in de thuiszorg vallen ook onder deze regeling als zij niet in loondienst zijn bij een thuiszorginstelling. Alfahulpen zijn hiervan het bekendste voorbeeld, zeker sinds de geïndiceerde huishoudelijke hulp onder de wet Wmo valt.

Alfahulpen worden in beginsel geacht in dienst te zijn van de zorgvrager en daarom wordt de Regeling Dienstverlening aan Huis op hen toegepast. Daardoor bestaat het gevaar van een schijnconstructie. Men kan zich afvragen of thuiszorginstellingen (of andere bemiddelingsinstanties) niet doorgaans zo veel werkgeverstaken vervullen dat zij en niet de zorgvrager moeten worden aangemerkt als werkgever.

Op 5 november 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2013:8304) daarover een arrest gewezen. In dit arrest kwalificeert het Gerechtshof de arbeidsverhouding tussen een alfahulp en thuiszorginstelling als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW. Dit ondanks het gegeven dat op papier sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de alfahulp en de cliënten bij wie zij werkte. Het betoog van de thuiszorginstelling dat deze alleen een bemiddelende rol vervulde in de relatie tussen alfahulp en cliënten en dat daarom geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst, wijst het Gerechtshof van de hand.

In het arrest ging het om het contract dat thuiszorginstelling Beeuwkes met de gemeente Harderwijk heeft gesloten in het kader van de aanbesteding van de levering van huishoudelijke hulp. Het Gerechtshof leidt uit het contract en de onderliggende documenten af dat Beeuwkes zich jegens de gemeente heeft verbonden tot het leveren van een vorm en kwaliteit van zorg die een werkgeversrol doet vermoeden. Gezien de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst stelt het Gerechtshof vast dat de relatie tussen alfahulp en Beeuwkes een arbeidsovereenkomst is. Interessant is dat het Gerechtshof overweegt dat Beeuwkes "slechts enige instructiebevoegdheid" had jegens de alfahulp en dat de feitelijke instructiebevoegdheid vooral bij de cliënt lag, doch dat gezien het geheel van de omstandigheden dit geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de verhouding van Beeuwkes en alfahulp een arbeidsovereenkomst is.

Het arrest van Hof Arnhem zou het einde kunnen betekenen van de alfahulpverlening via thuiszorginstellingen, ware het niet dat het Gerechtshof Den Haag op 18 maart 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:708) anders heeft geoordeeld. In beide arresten staat de vraag centraal of er een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de bemiddelende organisatie en de arbeidskracht. In het arrest van het Gerechtshof Den Haag was noch met de inlener noch met de bemiddelende organisatie een arbeidsovereenkomst gesloten en komt het Gerechtshof tot het oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst met de bemiddelende organisatie. De Gerechtshoven kijken in deze arresten als het ware door de gekozen constructies heen. Een opvallend verschil is dat in vergelijkbare constructies het ene Gerechtshof oordeelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met de bemiddelende organisatie en in het andere Gerechtshof concludeert tot een uitzendovereenkomst.

Het blijft in de praktijk dus onzeker wie de werkgever is van de alfahulp: de zorgvrager of de thuiszorginstellingen of andere bemiddelingsinstanties.

Deel deze pagina:

Contactpersoon