Als bestuurder aansprakelijk gesteld?15 september 2014

In de laatste jaren is een tendens zichtbaar waarin de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen wordt opgepakt door de media. Vooropgesteld moet worden dat de bestuurder de nodige beleidsvrijheid heeft bij het besturen van een vennootschap. Het enkele feit dat bepaalde beslissingen achteraf minder gelukkig zijn geweest, resulteert niet automatisch in bestuurdersaansprakelijkheid. Hiervoor is meer nodig. Hierna zal kort in worden gegaan op een aantal voorbeelden die tot aansprakelijkheid van een bestuurder kunnen leiden.

Artikel 2:9 BW

In de eerste plaats is de bestuurder gehouden zijn taken jegens de vennootschap behoorlijk te vervullen (artikel 2:9 BW). Van onbehoorlijk bestuur is volgens de Hoge Raad sprake wanneer de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er is sprake van een ernstig verwijt als een redelijk handelend en ervaren bestuurder in dezelfde omstandigheden van de beslissing had afgezien. Als voorbeelden kunnen worden genoemd:
-  het nemen van onverantwoorde financiële risico's met de vennootschap;
-  het onttrekken van gelden aan de vennootschap voor persoonlijke doeleinden;
-  het niet afsluiten van verzekeringen die noodzakelijk zijn voor de onderneming.

Het is uitsluitend aan de besloten vennootschap zelf om de bestuurder aansprakelijk te stellen op grond van artikel 2:9 BW. Voor zover er schuldeisers zijn die door het handelen van de bestuurder zijn benadeeld, kunnen zij de geleden schade op de bestuurder verhalen door het instellen van een hun vordering uit hoofde van onrechtmatige daad (6:162 BW).

Artikel 2:248 BW

Een tweede grond voor aansprakelijkheid van een bestuurder kan worden gevonden in artikel 2:248 BW. Het betreft hier aansprakelijkheid van bestuurders en feitelijk leidinggevenden in geval van een faillissement van de vennootschap.

Dit artikel bepaalt dat iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap wanneer het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hij is dan aansprakelijk voor de schade voor zover die niet kan worden betaald uit de verkoop van vermogensbestanddelen (zoals inventaris, auto's, onroerend goed, debiteuren, en dergelijke) in het faillissement.

De vordering kan alleen door de curator worden ingesteld. De curator zal aan de rechter moeten aantonen dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, waarna hij ook aannemelijk moet maken dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement. Die bewijslast is niet eenvoudig. De wetgever is de curator tegemoetgekomen door een tweetal bewijsvermoedens in het BW op te nemen.

Ontbreekt een behoorlijke boekhouding of heeft het bestuur nagelaten de jaarrekening binnen 13 maanden na afloop van het boekjaar te publiceren, dan staat onweerlegbaar vast dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Dit wordt dan gezien als een belangrijke oorzaak van het faillissement. Met deze twee bewijsvermoedens wordt de bewijslast omgekeerd. De bestuurder zal dan moeten bewijzen dat de "gebrekkige" boekhouding of niet tijdige deponering van de jaarrekening niet als belangrijke oorzaak van het faillissement heeft te gelden. Wanneer sprake is van niet tijdige deponering, kan nog wel eens met succes een beroep worden gedaan op de omstandigheid dat andere van buiten komende oorzaken tot het faillissement hebben geleid. Hierbij valt te denken aan de economische crisis.

Artikel 2:248 BW ziet niet alleen op bestuurders, maar ook op feitelijk leidinggevenden. Het komt nog wel eens voor dat de vennootschap wordt gedreven door een andere persoon dan die als bestuurder bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven (de zogenaamde stroman).

Artikel 2:203 BW

Ook de oprichters van een vennootschap kunnen hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens individuele crediteuren voor schulden die ontstaan gedurende een periode van de BV in oprichting (dit is de periode voorafgaand aan de oprichting van de BV), tenzij de vennootschap die rechtshandelingen na haar oprichting bekrachtigt.

Gaat de besloten vennootschap binnen één jaar na haar oprichting failliet, dan wordt vermoed dat de oprichter wist dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou kunnen komen en zal de oprichter het tegendeel moeten bewijzen. Normaliter is de oprichter ook degene die vervolgens bestuurder van de besloten vennootschap wordt, dit is echter niet in alle gevallen zo.

Artikel 36 Invorderingswet 1990

Verder is nog de mogelijkheid van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder door de fiscus. Op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 kan een bestuurder van een besloten vennootschap namelijk aansprakelijk worden gesteld voor het niet betalen van specifieke belastingen en premies van de besloten vennootschap. Zo kan een bestuurder die voorziet dat de besloten vennootschap niet tijdig aan haar verplichtingen kan voldoen en hier geen of een onvolledige melding betalingsonmacht doet aansprakelijk worden gesteld. Is dit aan de orde, dan heeft de bestuurder geen mogelijkheid meer om te bewijzen dat de belastingschuld niet het gevolg is van aan hem te wijten onbehoorlijk bestuur.

Tot slot

Alhoewel de soep niet altijd zo heet wordt gegeten, als zij wordt opgediend, is het van belang dat u zich goed laat adviseren als u wordt geconfronteerd met de aansprakelijkstelling.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, neem dan gerust contact op één van onze advocaten van de praktijkgroep onderneming.

Deel deze pagina: