Binnen welke termijn dient verzet te worden gedaan tegen een verstekvonnis?19 september 2014

Een dagvaardingsprocedure start als de dagvaarding door de deurwaarder is betekend aan de wederpartij en de eisende partij die dagvaarding vervolgens aanbrengt bij de rechtbank. Zo raakt de wederpartij bekend met de vordering en  de datum waarop de procedure start. Wil de gedaagde partij verweer voeren, dan dient zij zich te stellen. Dat betekent dat zij de rechtbank kenbaar moet maken verweer te willen voeren. Stelt een gedaagde zich niet, dan zal de rechtbank het gevorderde bij verstek toewijzen als de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen en de vordering hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv).

De gedaagde partij die bij verstek is veroordeeld, kan daartegen in verzet gaan (artikel 143 Rv).  Artikel 143 lid 2 Rv zegt daarover: "Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is (…)."

In artikel 143 lid 3 Rv is over de tenuitvoerlegging van het vonnis opgenomen: "Buiten de gevallen bedoeld in het tweede lid vangt de termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer wordt gelegd."

Kortom, de verzettermijn is vier weken en gaat eerst lopen als de gedaagde partij bekend is of mag worden verondersteld met het verstekvonnis dan wel eerst op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer wordt gelegd.

Alhoewel de wetstekst doet vermoeden dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over het moment waarop de verzettermijn begint, is hierover kort geleden nog geprocedeerd tot aan de Hoge Raad (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). In deze procedure ging het om de vraag of, en zo ja wanneer, die verzettermijn nu was gaan lopen. De oorspronkelijk eiser betoogde dat de oorspronkelijk gedaagde op de hoogte was (geraakt) van het verstekvonnis door de aanvang van de executiemaatregelen die waren getroffen, omdat de derde onder wie zij beslag had gelegd had uitbetaald hetgeen zij daarvoor had verklaard aan de gedaagde partij verschuldigd te zijn. Dit laatste bleek achteraf onjuist. De Hoge Raad heeft in zijn overwegingen opgenomen dat de regeling van de verzettermijn berust op een afweging van enerzijds het belang dat een oorspronkelijk gedaagde niet gebonden wordt aan een vonnis waar hij geen weet van heeft en anderzijds het belang van de oorspronkelijk eiser dat op enig met voldoende mate van zekerheid te bepalen moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt (rechtszekerheid). Met betrekking tot de regeling in artikel 143 lid 3 Rv kan volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de veroordeelde op de hoogte raakt van de tenuitvoerlegging en daardoor kennis neemt van dat vonnis. In dit geval waar de derde onder wie beslag was gelegd in het geheel niets aan de veroordeelde verschuldigd was, gold deze aanname volgens de Hoge Raad niet omdat de mogelijkheid bestond dat de verzettermijn was verstreken voordat de veroordeelde partij met het verstekvonnis bekend was geraakt. De toepassing van artikel 143 lid 3 Rv in verbinding met artikel 144 Rv is dan niet gerechtvaardigd.

Mocht u bekend raken met een veroordelend verstekvonnis, dan is het raadzaam de mogelijkheden van verzet te bespreken met een advocaat. Kom gerust eens langs voor een vrijblijvend gesprek.

Deel deze pagina:

Contactpersoon