Garantieverklaring; schijnzekerheid?17 oktober 2014

Artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek blijft de gemoederen bezighouden in de rechtspraak. Op grond van het eerste lid van dit artikel moet een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot hebben voor het aangaan van bepaalde rechtshandelingen. Hieronder vallen bijvoorbeeld overeenkomsten die tot doel hebben dat de ene echtgenoot, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich tot borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt. De rechtbank Amsterdam heeft zich pas nog over de uitleg van artikel 1:88 BW gebogen.

In deze zaak speelt het volgende. A, B, en G zijn vennoot van een vennootschap onder firma die op enig moment is gefailleerd. Tegen het einde van 2007 treedt G uit als vennoot. In oktober van dat jaar hebben financiers een geldlening van € 200.000 verstrekt aan A en B. G heeft zich vervolgens garant gesteld voor de terugbetaling van die geldlening tot een maximum bedrag van € 100.000. In de zomer van 2010 blijkt dat A en B hun afspraken met de financiers niet langer na kunnen komen. Dit vormt voor de financiers de reden om G op 24 augustus 2010 aan te spreken onder de garantie. C (de echtgenote van G) vernietigt de garantieverklaring bij brief van 12 maart 2014 met een beroep op artikel 1:88 BW en verder.

De rechtbank zet in zijn vonnis uiteen dat de uitzondering op het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW beperkt uitgelegd moet worden. Het moet gaan om rechtshandelingen die kenmerkend zijn in die zin dat zij in de normale uitoefening van beroep of bedrijf gebruikelijk zijn (ECLI:NL:HR:1991:ZC0260).  Hierbij gaat het niet om de vraag of de ondertekening van de garantie tot de normale bedrijfsuitoefening behoort, maar de vraag of de rechtshandeling waarvoor de garantie wordt verstrekt, derhalve de lening, behoort tot de normale beroeps- of bedrijfsuitoefening ECLI:NL:RBNHO:2014:1502LI).  Nu het gaat om een lening waarbij noch G, noch zijn bedrijf op enigerlei wijze betrokken is, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een rechtshandeling aangegaan in de normale bedrijfsuitoefening van G. Daarmee valt de garantieverklaring onder de reikwijdte van artikel 1:88 BW en is toestemming van C vereist. Nu die ontbreekt, is sprake van een rechtsgeldige vernietiging van de garantieverklaring door C.

Verder gaat de rechtbank in op het betoog van de financiers dat het bedrag van € 200.000 ten goede is gekomen aan G en zijn gezin. Het bedrag zou namelijk door A en B zijn aangewend om G uit de kopen voor zijn aandeel in de vennootschap onder firma. Zou G de garantieverklaring niet hebben getekend, dan was hij niet uitgekocht en nog firmant geweest ten tijde van de faillietverklaring van de vennootschap onder firma. Volgens de financiers zou het enige risico bij de garantieverklaring voor G en zijn gezin zijn dat van het ontvangen bedrag € 100.0000 zou moeten worden betaald aan de financiers wanneer A en B hun verplichtingen jegens de financiers niet na zouden komen. Per saldo zou G er dus € 100.000 beter van zijn geworden. Een beroep op vernietiging zou in de gegeven omstandigheden dan ook in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank verwerpt deze stelling. De rechtbank overweegt dat artikel 1:88 BW tot doel heeft om in het belang van het gezin de echtgenoten tegen elkaar te beschermen bij het verrichten van rechtshandelingen die benadelend zijn of een groot financieel risico meebrengen. Daar kan de garantieverklaring onder worden geschaard. Met de ondertekening van de garantieverklaring heeft G zich immers in privé verbonden om een bedrag van € 100.000 aan de financiers te voldoen wanneer A en B hun verplichtingen niet na zouden komen. Van belang daarbij is dat G geen zeggenschap had over de wijze waarop A en B het geleende geld zouden aanwenden. Ook was geen sprake van invloed van G op het beheer van de financiën door A en B. Daarmee is, aldus de rechtbank, sprake van een rechtshandeling die voor het gezin van G benadelend is en bovendien een groot financieel risico met zich brengt.
Zelfs wanneer het volledige bedrag van € 200.000 ten goede zou zijn gekomen aan G, hetgeen hij betwist en niet bewezen is, blijft de conclusie dat door de ondertekening van de garantieverklaring het risico bestond dat € 100.000 zou moeten worden terugbetaald. Dat het gezin van G per saldo nog een bedrag van € 100.000 zou hebben overgehouden is volgens de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te maken dat C naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op artikel 1:88 BW.

Bent u voornemens geld uit te lenen met als zekerheid een garantieverklaring, wees u dan bewust van de risico's!

Voor nadere inlichtingen kunt u vanzelfsprekend contact met mij opnemen.

Deel deze pagina: