Het rechtsvermoeden bij min/max-contracten: duidelijke bandbreedte gewenst30 oktober 2014

Op 24 september 2014 deed de kantonrechter Zutphen een interessante uitspraak over het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW bij min/max-contracten.

Feiten

De werkneemster in kwestie was op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, sinds 2011 bij haar werkgever in dienst als kapster. Hoewel in haar overeenkomsten was opgenomen dat zij voor 20 tot 40 uur per week was aangenomen, bleek dat zij structureel meer uren werkte. Toen werkneemster zonder aanwijsbare reden vanaf september 2013 in haar uren werd gekort, meende zij dat op basis van de drie voorafgaande maanden kon worden vastgesteld dat zij gemiddeld 152,6 uur per maand werkte. Werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 december 2013.
In de procedure vordert werkneemster uitbetaling van de over september tot en november te weinig uitbetaalde uren. De werkgever is echter van mening dat moet worden aangesloten bij hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bepaald: een arbeidspatroon van 20 tot 40 uur per maand en stelt dat de vordering dus moet worden afgewezen.

Beslissing

De rechter overwoog met betrekking tot het rechtsvermoeden dat art. 7:610b BW volgens de wetgever is bedoeld "om houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet of niet duidelijk is overeengekomen en in situaties waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan hetgeen oorspronkelijk is overeengekomen." Nu in de schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werkneemster 20 tot 40 uur per week arbeid verricht, is de omvang voldoende duidelijk bepaald. Het door werkneemster berekende gemiddelde van 152,6 uur per maand wordt vertaald naar 35,2 uur per week: het gemiddelde blijft aldus binnen de bandbreedte die door partijen is overeengekomen.

Gevolgen

Voor werkgevers lijkt deze uitspraak mogelijkheden te bieden. Als er in de arbeidsovereenkomst een minimum en een maximum aantal te werken uur is opgenomen, lijkt het rechtsvermoeden niet van toepassing. Dit zou wel eens anders kunnen zijn indien er een grote marge zit tussen het minimum en het maximum aantal te werken uren, maar dit is niet zeker.
Werkgevers zouden een eventueel beroep op het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW kunnen voorkomen door de werknemer op te roepen voor het minimaal vastgelegde aantal uren, zodat het gemiddelde aantal uren rond de ondergrens van de afgesproken uren blijft. Mocht de werknemer zich alsnog beroepen op het rechtsvermoeden, dan kan de werkgever bij de rechter aanvoeren dat moet worden uitgegaan van een langere referteperiode dan de drie maanden die in art. 7:610b BW wordt voorgestaan, omdat deze maanden niet representatief zouden zijn. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan een drukke vakantieperiode of een periode waarin veel werknemers ziek waren.

Het gaat hier echter om één uitspraak van één kantonrechter. Daarom blijft voorzichtigheid in verband met min/max-contracten geboden: het blijft onzeker of de rechters in andere gevallen ook zullen oordelen of in het specifieke geval de arbeidsomvang duidelijk is overeengekomen. Twijfelt u over het min/max-contract van uw werknemer, neem gerust contact met ons op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon