Waarschuwings- en zorgplicht van de bank; een terugkerende discussie18 december 2014

De rol van de bank in het zakelijke verkeer blijft de gemoederen bezighouden. Dit mondt met regelmaat uit in gerechtelijke procedures waarin de bank en de klant de juridische degens kruisen. Zo ook in een zaak waar de rechtbank Amsterdam op 27 augustus 2014 vonnis heeft gewezen.

A is enig aandeelhouder van B BV. Die BV bankiert al meer dan 30 jaar bij ING Bank. Uit een voor akkoord ondertekende kredietofferte uit 1994 valt op te maken dat B BV haar boekvorderingen verpandt alsook hypotheekrechten laat vestigen op haar onroerend goed. A tekent daarnaast een compte-joint en mede-aansprakelijkheidsovereenkomst en verstrekt een borgtocht van (toen nog) fl. 400.000. 

In 1995 gaan ING Bank en B BV een overeenkomst aan voor een rekening courant faciliteit.  Ook hier wordt weer gesproken over een pandrecht op boekvorderingen. Verder worden er hypotheekrechten gevestigd op onroerend goed van A. De borgtocht overeenkomst uit 1994 komt te vervallen. De door A getekende compte-joint en mede-aansprakelijkheidsovereenkomst blijft daarentegen van kracht.

Voor zover van belang bevat de genoemde compte joint- en mede-aansprakelijkheidsovereenkomst dat A en B BV dusdanig met elkaar verbonden zijn dat zij zich tegenover de bank willen presenteren als één groep. Ook is opgenomen dat de kredietfaciliteiten in het belang zijn van de hele groep en zij daarom medeaansprakelijkheid op zich willen nemen.

In 2012 gaat B BV failliet. ING Bank had toen zo'n € 200.000 van B BV te vorderen. Ten tijde van het faillissement bleek dat B BV haar boekvordering niet aan de Bank had verpand. De curator heeft die vorderingen geïncasseerd. Dat heeft bijna € 120.000 opgeleverd. ING heeft vervolgens aangeklopt bij A voor haar openstaande vordering op B BV en kenbaar gemaakt hiervoor zo nodig verhaal te nemen via de door A verstrekte hypotheken en de compte joint- en mede-aansprakelijkheidsovereenkomst.

A vordert in de procedure die volgt een verklaring voor recht dat ING Bank haar niet mag aanspreken voor een bedrag van bijna € 120.000 (de opbrengst van de boekvorderingen), omdat de bank A had moeten waarschuwen dat B BV haar boekvorderingen niet aan de bank had verpand. De tekortkoming van B BV om tot verpanding over te gaan, heeft voor A immers tot gevolg dat zij nu door ING Bank wordt aangesproken. Omdat er geen pandrecht is geëffectueerd, kan A niet kan subrogeren in het pandrecht dat de bank jegens B BV had bedongen. Zoals gezegd, had er geen verpanding plaatsgevonden. A is hierdoor een verhaalsobject (de boekvorderingen) misgelopen.

A stelt zich op het standpunt dat ING Bank deze consequenties had moeten voorzien en A had moeten waarschuwen. Door dit na te laten handelt zij in strijd met artikel 6:154 BW /de bancaire zorgplicht. ING Bank stelt zich op het standpunt dat de verplichting tot verpanding niet bij haar rustte, maar bij B BV.

Centraal staat vervolgens de vraag of de bank hier een verwijt kan worden gemaakt.

Had ING Bank A moeten waarschuwen? Heeft ING Bank in strijd met de algemene zorgplicht gehandeld? Die vragen worden ontkennend door de rechtbank beantwoordt.

Alhoewel de getekende offertes doen vermoeden dat er een pandrecht op boekvorderingen is, heeft geen verpanding plaatsgevonden. Maar heeft de bank nu zekerheden prijsgegeven waardoor A is benadeeld? Dit acht de rechtbank niet aan de orde.

Om een pandrecht te kunnen effectueren op de boekvorderingen is medewerking van B BV noodzakelijk. B BV weet immers op wie zij vorderingen heeft en de bank niet. Verder is het zo dat A en B BV door dezelfde personen worden geleid en A dus had kunnen bewerkstelligen dat B BV tot verpanding zou overgaan. A was dan ook op de hoogte van de niet verpanding (of had hier op de hoogte van kunnen zijn) en heeft in het verlengde hiervan geen gebruik gemaakt van haar mogelijkheid B BV tot verpanding over te laten gaan. Daarmee was niet voldaan aan de gerechtvaardigde verwachting van artikel 6:154 BW.

Ook het beroep op de bancaire zorgplicht slaagt niet, omdat sprake was van een zakelijke cliënt die het ook nog eens in eigen hand had verpanding van de boekvorderingen door B BV te realiseren.

Alhoewel A in deze zaak aan het kortste eind trekt, blijft het zaak kritisch te blijven. Heeft u vragen over uw positie jegens de bank, neem dan gerust contact op.

 

Artikel 6:154 BW bepaalt: De schuldeiser is jegens degene die, zo hij de vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd, verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten krachtens de subrogatie te zullen treden.

Deel deze pagina: