Hoge Raad steekt een stokje voor het omzeilen van de ketenregeling4 februari 2015

Tussen werknemer en werkgever zijn achtereenvolgens drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. Na afloop van de derde arbeidsovereenkomst gaan  partijen aansluitend een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan waarbij tevens een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten waarin wordt afgesproken dat deze (vierde) arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 januari 2012 zal eindigen. Blijkens de vaststellingsovereenkomst realiseren partijen zich dat door de verlenging een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zal ontstaan en werkgever alleen bereid is de arbeidsovereenkomst te verlengen als duidelijkheid bestaat over de einddatum. De werknemer heeft daar weliswaar bezwaar tegen, maar gaat akkoord omdat hij zich realiseert dat zonder een vastgestelde einddatum geen verlenging zal plaatsvinden. Ook is daarin opgenomen dat de werkgever de werknemer heeft geadviseerd juridisch advies in te winnen en dat de werknemer de inhoud van de regeling en de consequenties daarvan volledig heeft begrepen. In december 2011 wordt namens werknemer de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen, wegens strijd met het (driekwart) dwingende karakter van artikel 7:668a BW. Ook stelt de werknemer dat zijn instemming met de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil is afgedwongen.

Bij de kantonrechter in Den Bosch vordert hij vervolgens onder meer doorbetaling van zijn salaris c.a. vanaf 1 januari 2012. De kantonrechter wijst de loonvordering van de werknemer toe.

In hoger beroep komt het Hof tot een ander oordeel. Het Hof concludeert allereerst dat tussen partijen vaststaat dat de vierde overeenkomst een overeenkomst was voor onbepaalde tijd zodat artikel 7:668a BW in zoverre (directe) toepassing mist. Het Hof oordeelt verder dat de beëindigingovereenkomst een vaststellingsovereenkomst is en dat een dergelijke overeenkomst ook geldig is als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij er ook strijd is met de openbare orde of de goede zeden. Het Hof oordeelt dat in deze casus niet is gebleken dat er strijd is met de openbare orde of de goede zeden anders dan dat door de werknemer is gesteld dat bewust is afgeweken van een driekwart dwingende wetsbepaling. De stelling van de werknemer dat de werkgever misbruik van omstandigheden heeft gemaakt wordt door het Hof ook verworpen, zodat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd door de vaststellingsovereenkomst.

Deze uitspraak van het Hof heeft in de rechtsliteratuur tot veel discussie geleid. Gezegd werd dat het Hof daarmee het omzeilen van de ketenregeling mogelijk maakte.

De Hoge Raad vernietigt op 9 januari 2015 de uitspraak van het Hof op twee gronden. Allereerst overweegt de Hoge Raad dat partijen weliswaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten maar dat niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst van de schriftelijke arbeidsovereenkomst, maar dat het er vooral om gaat wat partijen met de overeenkomst hebben beoogd en ook dat daarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Verder stelt de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat een vaststellingsovereenkomst ter voorkoming van een (toekomstig) geschil in strijd mag komen met dwingend rechtelijke bepalingen. Met andere woorden; een vaststellingsovereenkomst mag alleen dwingend recht doorkruisen als er reeds een geschil bestaat en mag niet bedoeld zijn om een geschil dat nog moet ontstaan te voorkomen. De Hoge Raad motiveert dit door te stellen dat een andere opvatting het mogelijk zou maken de werking van (semi-)dwingend rechtelijke bepalingen op voorhand uit te sluiten en daarmee het karakter van dit soort bepalingen op ontoelaatbare wijze te ondermijnen.

De Hoge Raad steekt met dit arrest een stokje voor het omzeilen van de ketenregeling.

Deel deze pagina:

Contactpersoon