Turboliquidatie: voor ondernemers... en oplichters? (II)20 februari 2015

In mijn vorige artikel heb ik uitgelegd dat een onderneming via een zogenoemde turboliquidatie opvallend snel en onverwacht kan worden ontbonden. Schuldeisers kunnen daardoor verrast worden. De partij waar zij een vordering op hebben, blijkt immers plotseling niet meer te bestaan. Maar turboliquidatie betekent niet altijd direct een einde aan de aansprakelijkheid...

Drie wegen naar aansprakelijkheid

Stel: u hebt een factuur verzonden naar een klant en deze blijft al ruime tijd onbetaald. Ergens na de vierde aanmaning komt u er achter dat de onderneming inmiddels door een turboliquidatie beëindigd is. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat plots "...dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn... ".
Er zijn dan drie manieren om zo'n onderneming alsnog aan te spreken:

  1. heropening van de vereffening
    Als de ontbinding heeft plaatsgevonden terwijl de onderneming nog iets van waarde bezat, kan de schuldeiser de rechter verzoeken om de vereffening te heropenen. Indien zo'n bezit niet kan worden aangetoond (en de bewijslast hiervoor ligt dus bij de schuldeiser), is een heropening niet zinvol en zal deze dus niet worden uitgesproken. Op het eerste gezicht klinkt zulk 'achtergebleven bezit' als iets vreemds; wie zou er immers een onderneming ontbinden als die nog bezittingen heeft? In de jurisprudentie is echter aangenomen dat ook een vordering van een nog aan te stellen curator op de bestuurder een 'nagekomen bate' kan vormen. Indien bijvoorbeeld het bestuur van de onderneming de jaarrekeningen van de onderneming niet tijdig heeft gedeponeerd bij de KvK, kan op basis daarvan al het vermoeden ontstaan dat de B.V. een vordering heeft op haar eigen oud-bestuurder. Op basis van dat 'bezit' kan vervolgens de ontbinding worden heropend.

  2. alsnog aanvragen van faillissement
    Het heropenen van de vereffening kan een omslachtige procedure zijn voor de schuldeiser. Vaak zal de heropening slechts worden gevorderd om vervolgens, als de onderneming weer 'bestaat', het faillissement daarvan aan te vragen (of in ieder geval daarmee te dreigen). In de jurisprudentie is daarom bepaald dat er ook een kortere route is; ook van een ontbonden vennootschap kan men rechtstreeks het faillissement aanvragen. Dit is derhalve een reëel dreigement voor de bestuurder, wiens bestuur na het faillissement gecontroleerd zal worden door een curator, met alle mogelijke aansprakelijkheid van dien. Net als bij bestaande ondernemingen zijn voor het aanvragen van het faillissement twee afzonderlijke vorderingen benodigd. Ook hier zal veelal nog moeten worden aangetoond dat de rechtspersoon enig bezit heeft: zonder bezit heeft het faillissement immers geen zin, omdat de curator dan niets heeft om te verkopen en hij alleen maar kosten maakt.

  3. het aanspreken van de bestuurder
    Naast procederen tegen de (ontbonden) onderneming, kan het ook lonen om de bestuurder zelf aan te spreken. De jurisprudentie op dit gebied ziet tot op heden vooral op bestuurders die tevens enig aandeelhouder zijn en zodoende alle zeggenschap in de onderneming hebben. Wanneer zo'n bestuurder ten onrechte besluit tot een turboliquidatie en de situatie van de schuldeiser daardoor verslechterd, kan hij in privé (!) aansprakelijk worden gehouden. Daarbij is dus echter wel van belang dat er een direct verband bestaat tussen de turboliquidatie en de geleden schade. De schuldeiser zal dus moeten aantonen dat zijn schade niet was opgetreden indien de bestuurder wel de geldende regels had gevolgd, bijvoorbeeld door het faillissement van zijn onderneming aan te vragen. Hierin ligt nogal eens een bewijsprobleem. Verder is de jurisprudentie op dit vlak duidelijk nog in beweging.

Een turboliquidatie maakt het er voor de schuldeisers niet makkelijker op. Hier ligt ook mijn bezwaar in de huidige gang van zaken; waar een schuldeiser vóór een turboliquidatie nog kan dreigen met een faillissementsaanvraag (en daarvoor slechts een steunvordering nodig heeft), wordt na de turboliquidatie een extra hobbel opgeworpen. Het bewijzen van het bestaan van 'achtergebleven bezit' is namelijk (ondanks dat de rechter daar in de praktijk vaak soepel mee om gaat) niet altijd eenvoudig. Het omzeilen van het wettelijke systeem (zie daarover, nogmaals, hier), wordt op die manier soms beloond.

De vierde optie: aansprakelijkheid vereffenaar

Indien er wel een vereffenaar is aangesteld (geen turboliquidatie), maar een schuldeiser desondanks onbetaald is gebleven, dan komt ook de aansprakelijkheid van de vereffenaar in zicht. De vierde optie is in dat geval:

Aanspreken van de vereffenaar
De vereffenaar is niet alleen vaak een voormalig bestuurder van de onderneming, maar dient zich ook aan de regels voor bestuurders te houden. Dat betekent dat hij aansprakelijk kan worden gehouden voor een niet correcte vereffening indien hem, gelet op zijn wettelijke plicht tot een behoorlijke taaktuitoefening, een 'voldoende ernstig verwijt' kan worden gemaakt. Hoe dit criterium wordt ingevuld, hangt af van de omstandigheden van het betreffende geval. Het is echter wel veilig om te stellen dat wanneer de vereffenaar bepaalde schuldeisers 'vergeet' te informeren of hen niet laat meedelen in de vereffening, zo'n aansprakelijkheid snel dichterbij komt. Ook wanneer een vereffenaar geen faillissement aanvraagt, terwijl de schulden de bezittingen overtreffen, moet hij vrezen voor zijn eigen belangen.

Ook bij een ontbonden vennootschap zijn er dus nog mogelijkheden om uw vorderingen betaald te krijgen. Meer weten? Even sparren over een concreet geval? Bel gerust en vrijblijvend via 071 - 512 44 43.

Deel deze pagina:

Contactpersoon