Onteigening vermogensbestanddelen en effecten SNS Reaal en SNS Bank31 maart 2015

Als gevolg van de kredietcrisis in 2008 zijn bij SNS Bank problemen ontstaan. Deze problemen zijn vanaf 2009 verergerd. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de minister van Financiën op 1 februari 2013 heeft besloten de door SNS Reaal en SNS Bank uitgegeven effecten en de vermogensbestanddelen van SNS Reaal en SNS Bank op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) te onteigenen. Tegen het besluit van de minister is door een aantal belanghebbenden beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, doch deze beroepen zijn grotendeels verworpen.

De minister heeft op grond artikel 6:10 van de Wft aan de rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen een aanbod tot schadeloosstelling gedaan van € 0,- per onteigend effect of vermogensbestanddeel. De minister was namelijk van oordeel dat zonder onteigening SNS Reaal en SNS Bank failliet of in liquidatie zouden zijn gegaan en dat er in dat geval niets zou zijn overgebleven voor de gewone schuldeisers, laat staan voor de aandeelhouders.

Vervolgens heeft de minister de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht de schadeloosstelling voor de rechthebbenden vast te stellen overeenkomstig het aanbod. De rechthebbenden zijn het niet eens met de minister. Zij zijn van mening dat een hogere schadeloosstelling dient te worden vastgesteld.

In zijn beschikking van 11 juli 2013 heeft de ondernemingskamer onder andere geoordeeld dat de minister zijn aanbod onvoldoende heeft toegelicht, dat aannemelijk is dat het aanbod geen volledige vergoeding vormt voor de door de rechthebbenden geleden schade en dat de ondernemingskamer overeenkomstig artikel 6:11 lid 3 Wft een hogere schadeloosstelling dient vast te stellen. Verder heeft de ondernemingskamer in zijn beschikking overwogen behoefte te hebben aan deskundige voorlichting om de hoogte van de schadeloosstelling vast te stellen en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan hen te stellen vragen.

Zowel de minister als een aantal rechthebbenden heeft cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen de beschikking van de ondernemingskamer. Op 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de cassatieprocedure (ECLI:NL:HR:2015:661).

De Hoge Raad stelt voorop dat de Wft een bijzondere regeling bevat voor de onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van financiële ondernemingen die in buitengewone omstandigheden verkeren, dat daarom bepaald is dat de Onteigeningswet niet van toepassing is, maar dat bij het opstellen van de Wft waar mogelijk is aangesloten bij de wijze waarop vergelijkbare onderwerpen in de Onteigeningswet zijn geregeld.

De Hoge Raad oordeelt dat de ondernemingskamer de schadeloosstelling voor de rechthebbenden zelfstandig dient vast te stellen. Hieruit volgt volgens de Hoge Raad dat niet de eis kan worden gesteld dat de minister in de procedure voor de ondernemingskamer het aanbod (voldoende) toelicht en mag de ondernemingskamer het aanbod niet als ongenoegzaam aanmerken op de grond dat het onvoldoende is toegelicht. Op dit punt acht de Hoge Raad het oordeel van de ondernemingskamer dus onjuist.

Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad een aantal door de ondernemingskamer geformuleerde uitgangspunten voor de aan de rechthebbenden toekomende schadeloosstelling. Deze uitgangspunten worden door de Hoge Raad deels bijgesteld.

Een en ander leidt ertoe dat de Hoge Raad de cassatieberoepen deels gegrond verklaart, de beschikking van de ondernemingskamer vernietigt en de procedure terug verwijst naar de ondernemingskamer. Bij de ondernemingskamer zal de schadeloosstellingsprocedure worden voortgezet met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Wordt dus vervolgd!

Deel deze pagina: