Girale overboeking die pas na faillietverklaring schuldenaar wordt gecrediteerd kan worden teruggevorderd10 april 2015

Op 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:586) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in de procedure tussen Advocatenkantoor JPR (hierna: JPR) en mr. Gunning, curator van Maatmetaal. In deze procedure had Maatmetaal, een dag vóór het faillissement een elektronische betalingsopdracht tot het overmaken van € 6.000 afgegeven ten gunste van JPR. Het bedrag is nog diezelfde dag afgeschreven van de Rabobankrekening van failliet, maar pas de volgende dag - de dag van het faillissement - bijgeboekt op de ING-rekening van JPR.

De curator had in de procedure bij de kantonrechter het bedrag van € 6.000 teruggevorderd van JPR met een beroep op artikel 23 Fw. In dit artikel is neergelegd dat de failliet op de dag van zijn faillissement (terug te rekenen tot 0.00 uur) het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliest (fixatiebeginsel). De kantonechter wees de vordering van de curator toe. JPR ging van deze beslissing in hoger beroep, maar ook het gerechtshof stelde de curator in het gelijk. Zowel de kantonrechter als het gerechtshof beriepen zich op het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1989 (ECLI:NL:HR:1989:AD0705, NJ 1990/1, Vis q.q./NMB). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat de curator een terugvorderingsactie kan starten jegens de ontvanger van de betaling (schuldeiser van failliet) indien de bank op de dag der faillietverklaring nog niet alle handelingen heeft verricht die zij als opdrachtnemer van de failliet ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten.

In cassatie klaagt JPR dat de verwerking van de betalingsopdracht na afboeking van de rekening van de schuldenaar “volautomatisch” geschiedt en niet meer kan worden herroepen. Om die reden zou een vóór faillietverklaring afgeboekte betaling niet meer kunnen worden teruggevorderd. De Hoge Raad verwerpt dit standpunt en houdt vast aan de regel uit zijn arrest Vis q.q./NMB, welke regel berust op het fixatiebeginsel.

Voor de toepassing van de regel uit dit arrest doet het, aldus de Hoge Raad, namelijk niet ter zake of de betaalopdracht nog kon worden ingetrokken of de uitvoering van die opdracht nog kon worden voorkomen: het enkele feit dat er nog “handelingen” moesten worden verricht door (of namens) de bank van de schuldenaar ter effectuering van de betaalopdracht – ook al geschiedden deze handelingen “volautomatisch” – volstaat voor het aannemen van een recht op terugvordering.

Ter onderbouwing van de nieuwe regel wijst de Hoge Raad op art. 6:114 lid 2 BW, waarin is bepaald dat bij een girale overmaking de betaling eerst geschiedt zodra de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. In verband hiermee zijn volgens de Hoge Raad alle banken en intermediairs die bij de uitvoering van de opdracht zijn betrokken, dus óók de bank van de schuldeiser, aan te merken als instanties van wier diensten de schuldenaar direct of indirect gebruik maakt bij de betaling. Tegen die achtergrond strookt het volgens de Hoge Raad meer met het fixatiebeginsel om (voortaan) van de volgende regel uit te gaan:

“dat de curator steeds het betaalde kan terugvorderen waarmee na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd.”

Omwille van de rechtszekerheid geldt deze nieuwe regel volgens de Hoge Raad uitsluitend voor faillissementen die na de datum van dit arrest worden uitgesproken, derhalve na 13 maart 2015.

Deel deze pagina:

Contactpersoon