Verklaring curator nodig bij verzoek tot toelating WSNP14 april 2015

Indien een schuldenaar in aanmerking wenst te komen voor toelating tot de WSNP regeling, dan dient de schuldenaar aan te tonen dat hij een minnelijke regeling met zijn schuldeisers heeft beproefd op grond van artikel 285 lid 1, aanhef en onder sub f, Fw. De schuldenaar kan dit aantonen middels een verklaring van het College van B&W (of, in geval van mandaat door het College) van een gemeentelijke kredietbank. Dit in voornoemd artikel opgenomen vereiste waarborgt dat professionele hulpverlening plaatsvindt, voordat toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt verzocht. Hierdoor wordt de schuldenaar gedwongen om tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bewerkstelligen, waarbij de WSNP regeling als laatste redmiddel openstaat (vangnet). Een verzoek tot toelating tot de WSNP regeling kan dan ook worden afgewezen als de poging niet is uitgevoerd door professionele schuldbemiddelaars.

Hoe moet hier nu mee worden omgegaan als de schuldenaar vanuit zijn faillissement op grond van artikel 15b Fw omzetting verzoekt in een WSNP regeling?

In zijn arrest van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:589) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat moet worden aangenomen dat ook voor een dergelijk omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met behulp van professionele schuldhulpverlening heeft geprobeerd een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen.

Een schuldenaar die in staat van faillissement verkeert zal zelf (veelal) niet in staat zijn een buitengerechtelijk akkoord met zijn schuldeisers te beproeven. Om die reden zijn de rechtbanken in het verleden veelal soepel geweest in het inhoudelijk beoordelen van de omzettingsverzoeken die niet aan dit vereiste voldeden. In voornoemd arrest komt de Hoge Raad dan ook aan dit probleem tegemoet door te oordelen dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wordt aanvaard dat bij een omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator kan worden gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.

In het vervolg zullen omzettingsverzoeken derhalve vergezeld dienen te gaan van een dergelijke verklaring van de curator. Ontbreekt deze verklaring, dan kan de rechtbank de gefailleerde een termijn stellen van ten hoogste een maand om deze verklaring alsnog te verstrekken, bij gebreke waarvan de gefailleerde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.

Deel deze pagina:

Contactpersoon