Parkeereisen in bestemmingsplan, niet meer in bouwverordening!21 juli 2015

Sinds 29 november 2014 is het niet meer mogelijk om stedenbouwkundige bepalingen in de gemeentelijke bouwverordening op te nemen. Vanaf dat moment moeten alle door de gemeente gewenste stedenbouwkundige bepalingen, waaronder parkeereisen, in het bestemmingsplan worden opgenomen. Er is voorzien in overgangsrecht tot 1 juli 2018.

Met de Reparatiewet Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties 2014 (Stb. 2014, 458; hierna: de Reparatiewet) zijn de artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 van de Woningwet komen te vervallen. Op grond van het oude artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet kon de bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard bevatten. Volgens het oude artikel 9 van de Woningwet bleef de bouwverordening buiten toepassing indien sprake was van strijdigheid tussen de bouwverordening en het bestemmingsplan.

In de praktijk worden in artikel 2.5.30 van de meeste gemeentelijke bouwverordeningen parkeereisen gesteld en voorzien bestemmingsplannen hier veelal niet in. Op het gebied van parkeren zijn deze bouwverordeningen dan ook niet in strijd met de bestemmingsplannen. Tot 29 november 2014 konden aanvragen om omgevingsvergunningen derhalve aan artikel 2.5.30 van de bouwverordening (en het daarop gebaseerde parkeerbeleid) worden getoetst.

Door de op 29 november 2014 in werking getreden Reparatiewet is de mogelijkheid om stedenbouwkundige bepalingen in een gemeentelijke bouwverordening te regelen komen te vervallen. Vanaf dat moment moeten alle door de gemeente gewenste stedenbouwkundige bepalingen, waaronder parkeereisen, in het bestemmingsplan worden opgenomen.

In artikel 133 van de Reparatiewet is overgangsrecht opgenomen. Hierin is bepaald dat voornoemde artikelen uit de Woningwet van toepassing blijven tot het tijdstip dat het bestemmingsplan wordt gewijzigd, doch uiterlijk tot 1 juli 2018. Als het bestemmingsplan derhalve na 29 november 2014 wordt gewijzigd, dan moet de gemeente er rekening mee houden dat niet kan worden teruggevallen op de bepalingen uit de bouwverordening en moeten gewenste parkeereisen in het bestemmingsplan worden opgenomen. Voorts moeten gemeente er voor zorgen dat de bestemmingsplannen voor 1 juli 2018 zodanig zijn gewijzigd dat daarin de gewenste parkeereisen zijn opgenomen.

In de uitspraak van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1580) oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het betreffende op 11 december 2014 vastgestelde bestemmingsplan moest worden vernietigd, omdat het college er ten onrechte vanuit ging dat de parkeernorm op grond van de stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening kon worden afgedwongen. Op 11 december 2014 hadden de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening evenwel hun gelding verloren en dienden deze in het bestemmingsplan te worden opgenomen.

Voorgaande heeft natuurlijk ook invloed op de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. Op grond van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt deze omgevingsvergunning (onder meer) geweigerd indien deze in strijd is met het bestemmingsplan en/of de bouwverordening. Als in een na 29 november 2014 gewijzigd bestemmingsplan geen parkeereisen zijn opgenomen, dan kan de omgevingsvergunning niet meer worden geweigerd op de grond dat niet voorzien is in voldoende parkeerplaatsen. Hier doet niet aan af dat in artikel 2.5.30 van de bouwverordening parkeereisen zijn opgenomen. Dit artikel is op dat moment immers in strijd met de Woningwet en daarmee onverbindend.

Wij adviseren gemeenten dan ook om bij het wijzigen van bestemmingsplannen de gewenste parkeereisen in het bestemmingsplan op te nemen en er in ieder geval voor te zorgen dat voor 1 juli 2018 de bestemmingsplannen op dit punt zijn aangepast.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon