Belang bij onteigening13 augustus 2015

In bijzondere omstandigheden kan een grondeigenaar of een ander rechthebbende op grond, zoals een pachter of erfpachter, in rechte afdwingen dat hem geen gedoogplicht wordt opgelegd maar hij in plaats daarvan - bij gebreke van een minnelijke overeenstemming over grondverwerving - wordt onteigend.
Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 augustus 2015 die u hier aantreft (ECLI:NL:RVS:2015:2592).

De Minister had op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht een gedoogplicht opgelegd ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen. Op het perceel van een manege was voorzien in de realisering van een zogenoemd opstijgpunt en een permanente toegangsweg. De manege betoogde dat paarden zich, ook na afronding van de aanlegwerkzaamheden, niet in de nabijheid van het opstijgpunt zouden kunnen begeven omdat paarden vluchtdieren zijn, onverwacht optredend coronageluid kan leiden tot stress bij paarden en dat dit tot gevaarlijke situaties aanleiding kan geven.

In de Belemmeringenwet privaatrecht is bepaald dat de Minister geen gedoogplicht mag opleggen indien de belangen van de eigenaar of rechthebbende redelijkerwijs onteigening vorderen. In het algemeen wordt in de jurisprudentie niet snel aangenomen dat daarvan sprake is. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat dit in bijzondere omstandigheden anders kan zijn. De aard van de bedrijfsvoering van een manege brengt met zich dat de manege de bewuste gronden uitsluitend kan gebruiken voor het houden van paarden. Dat specifieke gebruik is als gevolg van het te gedogen werk, mede gelet op het beschreven gedrag van paarden, niet langer mogelijk. Dat vormt een bijzondere omstandigheid die noopt tot de conclusie dat de belangen van het manegebedrijf onteigening vorderen.

In de jurisprudentie heeft zich de lijn ontwikkeld dat bij de beantwoording van de vraag of de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen, betekenis moet worden gehecht aan de verhouding tussen het voor de gedoogplicht benodigde oppervlakte en het door de rechthebbende in eigendom dan wel gebruik zijnde totale aaneengesloten grondoppervlak. Die cijfermatige benadering geeft evenwel blijkens deze uitspraak van de Afdeling niet altijd de doorslag. Indien een (relatief) beperkt gedeelte permanent aan het gebruik wordt onttrokken, kunnen bijzondere omstandigheden (toch) tot de conclusie leiden dat het belang van de rechthebbende gebaat is bij eigendomsverwerving in plaats van een gedoogplicht.

Heeft u vragen over gedoogplichten of onteigening, neemt u dan gerust contact met mij op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon