De concurrent en het bestemmingsplan27 augustus 2015

Een concurrent kan tot op heden weinig doen tegen een bestemmingsplan dat de vestiging van een concurrerend bedrijf mogelijk maakt. Zo de concurrent al belanghebbende is, staat het relativiteitsvereiste veelal aan een gegrond beroep in de weg. Zelfs voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. Wellicht is er echter licht aan het eind van de tunnel voor de concurrent.

Belanghebbende

Om als concurrent beroep in te kunnen instellen tegen een bestemmingsplan moet  de concurrent bij het bestemmingsplan belanghebbende zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit geldt ongeacht de vraag of concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. Van een concurrentiebelang is slechts sprake indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1744. Indien de concurrent niet in hetzelfde verzorgingsgebied en/of marktsegment werkzaam is, dan zal zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Relativiteitsbeginsel

Als het beroep van de concurrent ontvankelijk is, betekent dit echter nog niet dat alle door de concurrent aangevoerde beroepsgronden tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. De bestuursrechter vernietigt een besluit namelijk niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (het zogenoemde relativiteitsbeginsel, artikel 6:69a van de Algemene wet bestuursrecht).

De norm van artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening (een goede ruimtelijke ordening), strekt kennelijk niet ter bescherming van het concurrentiebelang. Een bestemmingsplan dient niet om concurrentieverhoudingen te regelen. Een beroep van een concurrent dat zijn concurrentiepositie door het bestemmingsplan zal worden aangetast, kan derhalve niet tot vernietiging van een bestemmingsplan leiden. Hetzelfde geldt voor een beroep van de concurrent op normen voor de luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer, de bodemkwaliteit in de Wet bodembescherming en de flora en fauna in de Flora- en Faunawet. Zie bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 en de uitspraak van 30 juli 2014 ECLI:NL:RVS:2014:2838.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Onder omstandigheden kan een beroep van de concurrent op artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wel tot vernietiging van het bestemmingsplan leiden. Dit artikel bevat de zogenoemde Ladder voor duurzame verstedelijking. Uit de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet volgens dit artikel blijken dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte, in hoeverre in die behoefte binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins en in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die passend ontsloten zijn. Dit artikel is ter stimulering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag, en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand.

Volgens de Afdeling staat het relativiteitsvereiste niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van de concurrent op artikel 3.1.6 van het Bro in de weg, indien de concurrent feiten en omstandigheden naar voren brengt die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ontwikkeling relevante leegstand zal kunnen leiden. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het bestemmingsplan zodanige leegstandeffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Voor relevante leegstand is onvoldoende dat de voorziene ontwikkeling leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de concurrent. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van de concurrent en daardoor tot leegstand van het door de concurrent in gebruik zijnde bedrijfsgebouw, is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw van de concurrent dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen. Voorts zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2015 en 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 en ECLI:NL:RVS:2015:2361.

Uit het voorgaande blijkt dat de mogelijkheden voor een concurrent om met een beroep op artikel 3.1.6 van het Bro het bestemmingsplan te vernietigen, zeer beperkt zijn. Te meer nu de Afdeling in laatstgenoemde uitspraak heeft geoordeeld dat het feit dat het bestemmingsplan ander gebruik niet toestaat, niet maakt dat andersoortig gebruik niet mogelijk is, nu om herziening van het bestemmingsplan kan worden verzocht. Naar mijn mening een vergaand oordeel, te meer nu het maar zeer de vraag is of een herzieningsverzoek zal worden gehonoreerd.

Licht aan het eind van de tunnel?

Of de Afdeling het relativiteitsvereiste in de toekomst ook zo strikt zal blijven toepassen is de vraag. In juli 2015 heeft de Afdeling in de zaak over het bestemmingsplan "Blaloweg en Katwolderweg" een conclusie gevraagd aan de staatsraad advocaat-generaal. Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe bouwmarkt mogelijk, waartegen een concurrerende bouwmarkt in beroep is gekomen. Volgens de concurrent kan de nieuwe bouwmarkt niet aan diverse veiligheidsnormen voldoen. De vraag is of de concurrent een beroep kan doen op deze normen of dat het relativiteitsvereiste zich daartegen verzet.

De Afdeling heeft aan de staatsraad advocaat-generaal gevraagd of, net als in het civiele recht, in het bestuursrecht een nuancering op het relativiteitsvereiste moet worden aangebracht (de zogenoemde correctie Langemeijer). Deze houdt kortgezegd in dat een handeling die in strijd is met een geschreven rechtsregel die niet de belangen van een eiser beschermt, ook in strijd kan zijn met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die wel de belangen van eiser beschermt. De staatsraad advocaat-generaal is gevraagd of een concurrent met een beroep op bijvoorbeeld het gelijkheids- of rechtszekerheidsbeginsel kan bereiken dat de bestuursrechter een besluit toch toetst aan een norm die strikt genomen niet zijn belangen beoogt te beschermen. Ook vraagt de Afdeling wat een concurrent in zo'n geval zou moeten aanvoeren en aannemelijk moet maken om te bereiken dat de bestuursrechter een besluit toch aan die norm toetst.

Wellicht is er derhalve licht aan het eind van de tunnel voor de concurrent. Zodra de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal is gepubliceerd, stellen wij u hiervan op de hoogte.

Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan gerust contact met ons op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon