Pandrecht, een drieluik (deel III)9 september 2015

In het eerste artikel over pandrecht schreef ik over de wijze waarop een pandrecht kan worden gevestigd, in het tweede artikel over hoe u tot uitwinning van het pandrecht kunt overgaan.
In deze laatste bijdrage geef ik u enkele tips en laat ik u kennismaken met diverse complicaties bij pandrecht.

Diversen


- Vestigen pandrecht: belangrijkste verschillen onderhandse akte en notariële akte.

Het vestigen van een pandrecht bij notariële akte, en dan in het bijzonder bij bezitloos pandrecht, heeft enkele voordelen bij de executie.

1. Afgifte van verpande roerende zaken kan eenvoudig worden afgedwongen door het inschakelen van een deurwaarder. Heeft verpanding plaatsgevonden via een geregistreerde onderhandse akte, dan dient voor het opeisen van de verpande goederen eerst verlof te worden gevraagd bij de voorzieningenrechter alvorens de deurwaarder de zaken onder zich kan nemen (artikel 496 lid 2 Rv).

2. De notariële akte vormt, mits op juiste wijze opgesteld, zelf een executoriale titel (artikel 430 Rv). De pandhouder kan op basis van deze notariële akte, zelfs zonder tussenkomst van de rechter, ook overgaan tot executie van andere vermogensbestanddelen van zijn schuldenaar (de pandgever) dan die welke zijn verpand. Deze mogelijkheid is slechts aanwezig met betrekking tot op het moment van opstellen van de akte door de notaris bestaande en in de akte nader omschreven vorderingen. Dit is ook mogelijk voor toekomstige vorderingen indien deze hun onmiddellijke grondslag vinden in een rechtsverhouding die reeds bestond op het moment waarop de akte door de notaris werd opgesteld en deze rechtsverhouding ook als zodanig wordt benoemd in de akte.

Het kan dus lonen om de verpanding vast te laten leggen in een notariële akte.

Meerdere pandhouders.

Wat gebeurd er nu als er meerdere pandhouders zijn die op hetzelfde onderpand verhaal willen nemen? De hoofdregel is dat de pandhouder met een ouder recht vóór gaat op een pandhouder met een jonger recht. De datum van het opstellen van de notariële akte of het registreren van de onderhandse akte is dus van belang.

- Werking pandrecht roerende zaken bij faillissement/bodemvoorrecht fiscus.

Artikel 57 Faillissementswet bepaalt dat de pandhouder zijn recht kan uitoefenen alsof er geen faillissement was. Dit betekent dat de bezitloos pandhouder in principe van de curator afgifte van de verpande zaken kan verlangen en deze volgens de gewone pandregels kan executeren. Echter, het verlangen van afgifte van de zaak na de dag der faillietverklaring beschermt de pandhouder niet tegen beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever. Daarnaast, voor zover er géén sprake was van beschikkingsonbevoegdheid aan de zijde van de pandgever, kan de pandhouder toch geconfronteerd worden met andere crediteuren van de pandgever (de failliet) die sterkere rechten hebben. Te denken valt aan het fiscale bodemvoorrecht en de voorrechten als genoemd in de artikelen 3:283-287 BW.

Het fiscaal bodemvoorrecht is neergelegd in artikel 21 Invorderingswet en bepaalt dat de belastingdienst een voorrecht heeft op alle goederen van de belastingschuldige (de failliet). Alhoewel in artikel 3:279 BW is bepaald dat een door pandrecht verzekerde vordering boven alle andere voorrechten gaat, maakt de Invorderingswet hierop dus één belangrijke uitzondering. Het fiscaal voorrecht voor sommige belastingen (met name omzet- en loonbelasting) is namelijk sterker dan een stil pandrecht op bepaalde roerende zaken, namelijk de zogenaamde bodemzaken. Dit zijn - kort gezegd - de op (bedrijfs)locatie van failliet aanwezige goederen met uitzondering van de voorraden. Dus veelal de inventaris.

Aan het sterke bodemvoorrecht van de belastingdienst kan de pandhouder zich onttrekken als hij de verpande zaken voorafgaand aan het faillissement in vuistpand neemt of als er een zogenaamde 'bodemverhuurconstructie' wordt opgetuigd. Hiervan is sprake als de (bedrijfs)locatie in beheer c.q. gebruik is bij een ander dan de pandgever (de failliet).

Naast het bodemvoorrecht kunnen ook andere crediteuren een sterkere positie innemen tegenover de pandhouder. Een voorbeeld hiervan betreft de crediteur die kosten heeft gemaakt ter behoud van het onderpand (zie artikel 3:283 e.v. BW).

Voor de groep crediteuren die in rang vóór de pandhouder gaan, bevat artikel 57 lid 3 Fw een bijzondere voorziening. De curator dient conform dat artikel de belangen van die crediteuren te behartigen bij de verdeling van de opbrengst. De opbrengst dient de pandhouder af te dragen aan de curator. Het bedrag dat de pandhouder dient af te dragen is gelijk aan de vordering(en) van de hoger bevoorrechte crediteur(en), dan wel de gehele opbrengst indien deze kleiner is. De opbrengst komt via de uitdelingslijst ter beschikking van de betreffende crediteur(en), met als gevolg dat deze moet(en) delen in de (vaak aanzienlijke) omslag van de algemene faillissementskosten (boedelschulden).

- Werking verpandrecht  vorderingen bij faillissement.

Het executeren van een verpande vordering waarvan mededeling is gedaan bij faillissement van de pandgever verschilt niet wezenlijk van de situatie buiten faillissement. Ook hier kan de pandhouder zijn recht van parate executie uitoefenen.

Het executeren van stil verpande vorderingen kan wel tot problemen leiden bij faillissement van de pandgever. Indien de debiteur van de pandgever na de faillietverklaring van de pandgever betaalt aan de pandgever, er van uitgaande dat er nog geen mededeling van verpanding is gedaan, dan heeft deze debiteur bevrijdend betaald en gaat de vordering, met het daarop rustende pandrecht, teniet. Indien de debiteur van de pandgever betaalt op de bankrekening van de pandhouder (dit is veelal de bank waar de pandgever een rekening aanhoudt), dan mag de pandhouder deze betaling verrekenen met de vordering op de pandgever. Deze mogelijkheid van verrekening bestaat ook als de pandhouder weet van het aanstaande faillissement. De curator kan in een dergelijk geval geen beroep doen op de faillissementspauliana.

Indien de debiteur van de pandgever  contant betaalt aan de curator of op een bankrekening die niet wordt aangehouden bij de pandhouder, dan verlies de pandhouder zijn separatistenpositie en kan de pandhouder geen afgifte van de betaling vorderen bij de curator. Echter, het pandrecht behoudt wel in zoverre zijn werking dat de pandhouder de aan zijn vordering verbonden voorrang behoudt bij de verdeling van het door de curator ontvangen bedrag. De pandhouder moet in dat geval wachten tot de slotuitdelingslijst (de lijst waarop vermeld zijn de vorderingen en het bedrag wat op die vorderingen vanuit het faillissement zal worden betaald) verbindend is geworden alvorens iets van de opbrengst van de verpande vordering te ontvangen. Of er enige uitkering plaatsvindt is nog maar de vraag, omdat de opbrengst van de verpande vordering moet meedelen in de omslag van de algemene faillissementskosten (artikel 182 Fw).  Hiervan is sprake als de boedel onvoldoende baten bevat om alle faillissementskosten te voldoen. In dat geval vallen de door de curator van de pandhouder geïncasseerde gelden volledig toe aan de boedelschuldeisers en ontvangt de Ontvanger (bodemvoorrecht) geen enkele uitkering op de belastingschuld ten behoeve waarvan de curator de opbrengst heeft opgeëist. Uiteraard kan de Ontvanger wel (een deel van) de opbrengst tegemoet zien in het geval hij tevens boedelschuldeiser is, ongeacht voor welke belastingsoort.

Blijf op de hoogte

Bent u geïnteresseerd in meer van deze juridische berichten, schrijf u dan in voor onze digitale nieuwsbrief!

Deel deze pagina:

Contactpersoon