Fraude of willekeur bij inroepen abstracte bankgarantie; een nadere beschouwing18 september 2015

De bankgarantie speelt met haar zekerheidsfunctie een belangrijke rol in het handelsverkeer. In de praktijk is bij een bankgarantie veelal sprake van een drie partijen verhouding: de opdrachtgever (debiteur), een begunstigde (normaliter de crediteur) en degene die de garantie ten behoeve van de begunstigde stelt. Deze laatste is doorgaans een bank.

Een bijzondere vorm is de abstracte bankgarantie. Kenmerkend voor deze bankgarantie is dat de begunstigde, wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in de garantieverklaring, gerechtigd is op eerste verzoek uitbetaling van de bank te verlangen. De begunstigde kan derhalve eenvoudig betaling bewerkstelligen. Wordt de bankgarantie ten onrechte door de begunstigde ingeroepen, dan zult u vervolgens zelf actie moeten ondernemen. Een betalingsverplichting op grond van de abstractie bankgarantie staat in beginsel namelijk los van de onderliggende rechtsverhouding. Dit houdt in dat verweren die u kunt ontlenen aan de rechtsverhouding niet in de weg hoeven te staan aan de vordering tot betaling uit hoofde van de bankgarantie.

De Hoge Raad oordeelde in een arrest van 9 juni 1995 (NJ 1995/639) al:

“Bij de beoordeling van deze middelen moet worden vooropgesteld dat het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat, gelet op het karakter van een bankgarantie als de onderhavige en de functie die dergelijke garanties in het handelsverkeer vervullen en gelet op de positie van de bank die zowel de belangen van zowel degene die de opdracht gaf tot het stellen van de garantie, als van degene te wiens gunste de garantie is gesteld, in het oog moet houden, een strikte toepassing door de bank van de in de garantie gestelde voorwaarden geboden is”.

Is aan de voorwaarden voldaan, dan dient betaling te volgen. Of is enige nuancering hier op zijn plaats?

Dit laatste is het geval. De bank die de garantie heeft verleend, mag er in beginsel op vertrouwen dat een betalingsverzoek door een begunstigde te goeder trouw is gedaan en dat op grond daarvan betaling wordt verricht. Een kennelijk bedrieglijk, willekeurig of frauduleus verzoek door de begunstigde brengt echter mee dat de bank niet hoeft te betalen (HR 28 september 1998). In het arrest van 26 maart 2004 heeft de Hoge Raad nog een uitzondering op het beginsel van de strikte conformiteit aanvaardt. In sprake van bedrog of willekeur (fraude) aan de zijde van de opdrachtgever, dan is de bank ook niet gehouden tot betaling over te gaan.

Wat nu als er niet drie partijen, maar vier partijen bij de bankgarantie zijn betrokken? De opdrachtgever, de bank van de opdrachtgever, de crediteur en de financierende bank van de crediteur (als begunstigde tot de bankgarantie). En wat nu als er sprake is van bedrog of willekeur van de crediteur. Kan de derde-begunstigde zich dan op het standpunt stellen dat zij geheel buiten de onderliggende rechtsverhouding staat en dat alleen dan niet onder de garantie betaald zou moeten worden wanneer sprake is van fraude van de kant van de derde-begunstigde zelf?

De Hoge Raad heeft zich recentelijk over deze situatie uitgelaten. Er kan slechts een uitzondering op het beginsel van een strikte toepassing van de in de garantie gestelde voorwaarden geboden zijn op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, aldus de Hoge Raad. Dit kan aan de orde zijn wanneer er sprake is van bedrog of willekeur aan de zijde van de begunstigde of degene in wiens opdracht de garantie is gesteld. Vervolgens zet de Hoge Raad uiteen dat uit de  aard en functie van de abstracte bankgarantie voortvloeit dat bij de uitleg daarvan groot gewicht toekomt aan de bewoordingen van de garantie. Verweren ontleend aan de onderliggende rechtsverhouding staan hier in beginsel niet aan in de weg. De abstracte bankgarantie heeft immers een zekerheidsfunctie. Is sprake van bedrog of willekeur, dan dient de bank dit onverwijld tegen te werpen aan degene die de bankgarantie afroept. Daarbij dient de bank de (derde-) begunstigde voldoende inzicht te geven in de gronden voor haar weigering om te betalen. De opgegeven gronden moeten het beroep op bedrog of willekeur ook kunnen dragen. Wetenschap van die fraude of willekeur aan de zijde van de derde-begunstigde is daarentegen niet vereist. Daarmee oordeelde de Hoge Raad dat de positie van een derde-begunstigde niet anders is, dan die van een begunstigde in de normale situatie waarbij de crediteur heeft te gelden als begunstigde. Gebrek aan wetenschap over de mogelijke aanwezigheid van bedrog of willekeur zal de derde begunstigde derhalve bij het inroepen van de bankgarantie niet baten.

Deel deze pagina: