Moedermaatschappij pas op uw tellen bij de 403-verklaring!25 september 2015

Door de jaren heen heeft de 403-verklaring de gemoederen bezig gehouden. Kort gezegd, houdt de 403-verklaring in dat een tot een groep behorende rechtspersoon kan worden vrijgesteld van de verplichting om de jaarrekening te publiceren wanneer aan de voorwaarden van artikel 2:403 BW is voldaan. De belangrijkste voorwaarde is dat de moedervennootschap schriftelijk verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden van haar dochter.

Recent heeft de Hoge Raad zich nog maar eens uitgelaten over de reikwijdte van de 403-verklaring. Waar ging het in deze zaak om?

Een moedervennootschap had een 403-verklaring afgelegd voor een dochtervennootschap, waarin zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de schulden van de dochtervennootschap. Zowel de moeder- als dochtervennootschap zijn vervolgens door een contractant van de dochter aangesproken. De moeder- en dochtervennootschap gaan nadien failliet. Tijdens het faillissement wordt de procedure gecontinueerd en wordt door de contractant van de dochtervennootschap een schikking getroffen met de curator in dat faillissement. Er wordt door een schikking een (deel)betaling verricht van € 25.000. De curator van de moedervennootschap wordt niet in kennis gebracht van deze schikking.

In hoger beroep stelt de curator van de moedervennootschap zich op het standpunt dat de vordering van de contractant op de moedervennootschap door de schikking teniet is gegaan en de strekking van de 403-verklaring niet zover reikt dat de contractant de moedermaatschappij voor het meerdere kan aanspreken. Die stelling wordt niet door het gerechtshof gevolgd. Volgens het gerechtshof brengt de overeengekomen schikking niet mee dat de contractant automatisch hiermee ook afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht jegens de hoofdelijk verbonden moedermaatschappij en die laatste jegens de contractant zou zijn bevrijd. Het gevolg van de schikking is slechts dat de vordering op de moedervennootschap is verminderd met het schikkingsbedrag.

De moedervennootschap gaat tegen het oordeel van het gerechtshof in cassatie. De moedervennootschap voert onder meer aan dat haar aansprakelijkheid niet verder reikt dan een aansprakelijkheid voor nog bestaande verplichtingen. Dit zou ook voortvloeien uit Europese richtlijnen die aan artikel 2:403 BW ten grondslag liggen. Daarin wordt slechts gesproken over garantstelling door de moedervennootschap, hetgeen zou aansluiten bij het leerstuk van de borgtocht. Dit zou dan ook impliceren dat met de schikking het vorderingsrecht op de moedervennootschap teniet is gegaan.

Ook bij de Hoge Raad vangt de moedermaatschappij bot. De Hoge Raad geeft namelijk in haar eindoordeel aan dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij wordt beheerst door de algemene regels die voor hoofdelijkheid gelden, namelijk de artikelen 6:7 BW e.v. De aansprakelijkheid voor de moedervennootschap berust derhalve op een zelfstandige verbintenis van de contractant op de moedervennootschap, waarvan de contractant ook zelfstandig nakoming kan vorderen. Ook de Hoge Raad is van mening dat de getroffen schikking door de dochtervennootschap slechts tot gevolg heeft dat de vordering wordt verminderd met het bedrag van de schikking. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de Europese wetgeving waarop de moedervennootschap haar stellingen (deels) baseert minimumvoorschriften zijn en deze de nationale wetgever ruimte bieden deze nader in te vullen. De Nederlandse wetgever heeft voor de uitleg van het begrip garantie gekozen deze uit te werken in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid en niet, zoals de  moedervennootschap heeft betoogd, een borgtocht. De moedervennootschap dient de restantvordering derhalve te voldoen aan de contractant. Mocht u gebruik maken van een 403-verklaring wees hier dan ook op bedacht!

Wilt u geïnformeerd worden over uw mogelijke aansprakelijkheidsrisico's, neem dan  vrijblijvend contact op met één van onze specialisten van de praktijkgroep Onderneming.

Deel deze pagina: