Verzet tegen vonnis faillietverklaring: Hoe dient rechter dit te toetsen?30 september 2015

In zijn arrest van 10 november 2006 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2006:AY6204) beslist dat indien een faillietverklaring is uitgesproken, de daarmee intredende staat van faillissement de rechtspositie van alle schuldeisers bepaalt. De rechter baseert zijn beslissing om het faillissement uit te spreken aldus op de toestand (waarin schuldenaar zich bevindt) ten tijde van de uitspraak (ex nunc).

Op dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 5 juni 2015 ECLI:NL:HR:2015:1473 (HSK/Verweerster) een nuancering aangebracht. Deze wijze van toetsing is volgens de Hoge Raad namelijk beperkt tot de gevallen waarin de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard nadat hij op de aanvraag tot zijn faillietverklaring is gehoord en de schuldenaar daartegen vervolgens hoger beroep instelt. De Hoge Raad heeft nu dus uitdrukkelijk beslist dat een dergelijke toetsing niet heeft te gelden als de schuldenaar niet is gehoord op het verzoek tot faillietverklaring, hij vervolgens toch failliet wordt verklaard en daarna in verzet komt tegen deze beslissing.

Als rechtvaardiging voor deze nuancering geeft de Hoge Raad onder rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest aan: “(..) Het rechtsmiddel van verzet heeft de strekking dat het geding waarin verstek was verleend, op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. Het biedt de gedaagde die niet was verschenen en daardoor zijn belangen bij de rechter niet kon verdedigen, daartoe alsnog de gelegenheid, hetgeen strookt met het beginsel van hoor en wederhoor (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1902, NJ 1993/559). Met die strekking van het rechtsmiddel van verzet en met de ingrijpende gevolgen die een faillietverklaring heeft, verdraagt zich niet dat de schuldenaar die zich tegen de bij verstek uitgesproken faillietverklaring wenst te verzetten, bijvoorbeeld met de stelling dat de vordering van de aanvrager niet of niet langer bestaat – welke stelling, indien juist, die aanvrager de bevoegdheid ontneemt het faillissement uit te lokken – bij dat verweer geen baat meer kan hebben.”

Gevolg van deze uitspraak is dat de rechter die beslist op een verzoek tot faillietverklaring moet onderzoeken of de vordering van de schuldeiser nog bestaat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank op het verzet. Een ander oordeel zou - kort gezegd - onverenigbaar zijn met de strekking van het rechtsmiddel van verzet, te weten dat het geding op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet.

Het kan dus lonen om verzet in te stellen tegen het vonnis van faillietverklaring.

Heeft u vragen, neem dan gerust vrijblijvend contact op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon