Pandrecht na vermenging soortzaken2 november 2015

Wat zijn de gevolgen van vermenging van gelijksoortige zaken voor het (voort)bestaan van een pandrecht?

De Hoge Raad heeft in het faillissement van de Zeeuwse aluminiumproducent Zeeland Aluminium Company N.V. (Zalco) een derde arrest gewezen. Dit laatste arrest, dat dateert van 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2192), bevat een aantal principiële beslissingen met betrekking tot het leerstuk vermenging, en in het bijzonder over de gevolgen van vermenging voor een pandrecht dat rust op één van beide vermengde zaken.

De feiten

Zalco heeft ten behoeve van grondstoffenhandelaar Glencore een (derden)pandrecht gevestigd op een grote hoeveelheid aluminium. Deze hoeveelheid aluminium bevond zich in vloeibare toestand in de smeltovens van Zalco. Na faillietverklaring van Zalco is het productieproces enige dagen door de curatoren voortgezet. In dat kader is een gedeelte van het verpande aluminium afgetapt uit de smeltovens en is nieuw geproduceerd aluminium aan de ovens toegevoegd. Het oude en het nieuwe aluminium zijn daardoor met elkaar vermengd. Vervolgens hebben de curatoren de stekker eruit getrokken en is het aluminium gestold in de ovens.

Vraag

Wat gebeurde er met het pandrecht van Glencore?

Beslissing van de Hoge Raad

In navolging van A-G Hammerstein oordeelde de Hoge Raad dat bij vermenging van gelijksoortige zaken (in casu het aluminium) er een pandrecht ontstaat op een aandeel in de nieuw te vormen zaak. Aldus behield Glencore een pandrecht op het aandeel in de nieuwe zaak ter grootte van het deel dat de oude en vermengde zaak onderdeel uitmaakte van de nieuwe zaak.

In het arrest (rechtsoverweging 3.7.4.) geeft de Hoge Raad de navolgende onderbouwing voor zijn beslissing: “Voor het geval dat geen van de zaken als hoofdzaak kan worden aangewezen, bepaalt art. 5:14 lid 2 BW dat een nieuwe zaak ontstaat. Art. 5:15 BW brengt in verbinding met art. 5:14 BW in een zodanig geval mee dat van rechtswege een nieuw pandrecht ontstaat op een aandeel in de nieuwe zaak ten behoeve van degene die het pandrecht op de door vermenging tenietgegane zaak had gevestigd. Weliswaar is dit niet met zoveel woorden in de genoemde artikelen geregeld, maar het strookt met de inhoud en strekking van die bepalingen dat zij ook het hier aan de orde zijnde geval bestrijken van vermenging van gelijksoortige zaken, op één waarvan een pandrecht rust.”

In aanvulling hierop geeft de Hoge Raad te kennen dat een eerder faillissement van de eigenaar van de zaak niet aan de verkrijging van het pandrecht in de weg staat. Het pandrecht ontstaat namelijk van rechtswege en is dus niet afhankelijk van de beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar van de zaak.

Met dit arrest zet de Hoge Raad een streep door de theorie dat degene die de eigendom verkrijgt van de nieuw te vormen zaak (na vermenging) deze onbezwaard, en dus zonder pandrecht, verkrijgt.

Door deze uitspraak heeft de Hoge Raad de bestaande onduidelijkheid weggenomen over het (voort)bestaan van pandrechten op zaken die na vermenging met soortgelijke zaken onderdeel zijn geworden van de nieuwe zaak.

Deel deze pagina:

Contactpersoon