Kabinet maakt visie bekend op grondbeleid4 december 2015

Bij brief van 25 november 2015 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu, mevrouw Schultz van Haegen, de Tweede Kamer geïnformeerd over de visie van het kabinet op de implementatie van het grondbeleid in de wetgeving. De brief vindt u hier.

De brief geeft op een overzichtelijke wijze inzicht in de voorgestane veranderingen in de wetgeving. Het grondbeleid is nu nog in verschillende wetten geregeld. In de financiële bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening zijn de regels opgenomen omtrent tegemoetkoming in planschade en verhaal van kosten. De Wet inrichting landelijk gebied kent regelingen van ruilverkaveling bij overeenkomst en herverkaveling. De Wet voorkeursrecht gemeenten biedt niet alleen gemeenten maar ook de provincies en de rijksoverheid onder voorwaarden mogelijkheden om percelen grond te kunnen belasten met voorkeursrechten van koop. De onteigeningsbevoegdheden en de daaraan verbonden procedures zijn vastgelegd in de Onteigeningswet. De bedoeling is om deze versnippering van wetgeving op te heffen en alle aan het grondbeleid verwante wetgeving in de Omgevingswet op te nemen.

De intentie van het kabinet is procedures te vereenvoudigen en te uniformeren. Dat leidt onder andere tot wijzigingen in de administratieve onteigeningsprocedure. De onteigenende overheid behoeft straks niet langer te verzoeken om een Kroonbesluit maar kan zelf de beslissing tot onteigening nemen. Tegen de onteigeningsbeschikking zal rechtsbescherming openstaan bij de bestuursrechter. Een vergelijkbare rechtsgang zal mogelijk zijn indien in een eerder stadium een voorkeursrechtbeschikking wordt genomen.

De wijze van implementatie van de Wet inrichting landelijk gebied wordt nog nader onderzocht. Hoewel het instrument van het inrichtingsplan naar verwachting verdwijnt, is de bedoeling dat provincies op dezelfde wijze landinrichting kunnen toepassen als onder de huidige wetgeving.

De Minister gaat in de kamerbrief afzonderlijk in op het beginsel van zelfrealisatie. Het kabinet verwoordt helder dat dit beginsel volledig in stand blijft. Uit de brief kan worden afgeleid dat het kabinet van mening is dat een zelfrealisatieverweer ook een rol moet kunnen spelen indien eigenaars ageren tegen een voorkeursrechtbeschikking. Bovendien moet de werkingsduur van een voorkeursrechtbeschikking worden verkort. Een voorkeursrechtbeschikking zou vlotter moeten kunnen worden ingetrokken.

Voor wat betreft het kostenverhaal beoogt het kabinet een meer flexibele regeling. Zo zou een gemeentebestuur bij planologische medewerking aan een particulier initiatief, kunnen beslissen het verhaal van de ambtelijke kosten vanwege de wijziging van het bestemmingsplan achterwege te laten.

Tenslotte beoogt het kabinet een nieuw instrument "aan de gereedschapskist" van het grondbeleid toe te voegen, te weten de "vrijwillige stedelijke herverkaveling". De regeling zal worden gebaseerd op die van ruilverkaveling bij overeenkomst in de Wet inrichting landelijk gebied. De bedoeling is dat het instrument elementen zal bevatten waardoor eigenaren en andere rechthebbenden in stedelijk gebied niet gebonden zijn aan bepaalde in het Burgerlijk Wetboek omschreven civielrechtelijke verplichtingen zodat particuliere initiatieven die bijdragen aan een gewenste binnenstedelijke herontwikkeling, eenvoudiger tot stand kunnen komen.

Het kabinet streeft naar meer flexibiliteit om gewenste herontwikkelingen te kunnen stimuleren. De doelstelling van meer flexibiliteit kan wel leiden tot verdergaande inbreuken op private eigendoms- en gebruiksrechten.

Deel deze pagina:

Contactpersoon