Verruiming vestigingsmogelijkheden detailhandel op bedrijventerreinen16 december 2015

In de Provinciewet en in de Gemeentewet zijn bepalingen opgenomen inzake het toezicht op het bestuur. Een besluit van provinciale of gemeentelijke bestuursorganen kan door een besluit van de Kroon, op voordracht van de minister, worden vernietigd. Vooruitlopend op een eventuele voordracht tot vernietiging, kan de minister de Kroon voorstellen om bij wijze van voorlopige voorziening een besluit van een provinciaal of gemeentelijk bestuursorgaan te schorsen. Recentelijk heeft de Kroon een dergelijk, tamelijk uniek, schorsingsbesluit genomen. Het schorsingsbesluit van 21 november 2015 is van betekenis voor de vestiging van (perifere) detailhandel op bedrijventerreinen in Zuid-Holland.

In artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is geregeld dat bij of krachtens provinciale verordening regels kunnen worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen strekkende tot afwijking van een bestemmingsplan of beheersverordening. De door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde verordening Ruimte 2014 is op deze wettelijke basis vastgesteld.

De verordening Ruimte 2014 kent regels over een verscheidenheid van planologisch relevante onderwerpen. In artikel 2.1.4 zijn regels opgenomen inzake de vestiging van detailhandel. Onder meer is vastgelegd dat een bestemmingsplan uitsluitend in de vestiging van nieuwe detailhandel mag voorzien binnen of direct aansluitend aan bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken, binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk en binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.

Artikel 2.1.4 lid 3 kent uitzonderingen op deze vestigingsregels. Detailhandel in "auto's, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeelapparatuur, fitnessapparatuur, piano's, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en brand- en explosiegevaarlijke goederen" is (ook) buiten de genoemde winkelconcentratiegebieden niet uitgeslotenn. Gemeenten kunnen dus deze vormen van detailhandel wel elders, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein, toestaan.

Een aantal belanghebbende bedrijven heeft de Kroon verzocht om de hiervoor kort samengevatte regeling voor te dragen voor vernietiging wegens strijd met het recht. Gesteld is dat de regeling in strijd is met het Unierecht, in het bijzonder met de Dienstenrichtlijn en artikel 49 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de vrijheid van vestiging is verankerd.

Hoewel beperkingen van de vrijheid van vestiging door dwingende redenen van algemeen belang, waartoe ook het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt begrepen, kan worden gerechtvaardigd heeft de Kroon op voordracht van de minister overwogen dat de hiervoor geciteerde limitatieve opsomming die onder de uitzonderingsregel valt zich niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. De Kroon overweegt bovendien "dat er gerede twijfel bestaat of de vestigingsbeperkingen, voortvloeiend uit de verordening Ruimte, kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en als dat zo is of de beperkingen in concrete gevallen geschikt, evenredig en noodzakelijk zijn".

De overwegingen leiden ertoe dat de Kroon een gedeelte van de uitzonderingsbepalingen van de verordening Ruimte 2014 schorst en tegelijkertijd bij wijze van voorlopige voorziening een bredere uitzonderingsregel formuleert. Die komt erop neer dat naast de genoemde perifere detailhandel in bestemmingsplannen eveneens detailhandel kan worden toegelaten buiten de genoemde winkelconcentratiegebieden "die zich uit oogpunt van ruimtelijke ordening niet onderscheidt van de hiervoor genoemde detailhandel".

De voorlopige voorziening geldt voor de duur van de schorsing, te weten tot 1 april 2016. Voor die datum valt een beslissing omtrent vernietiging te verwachten. Gelet op de geciteerde, strenge overwegingen van de Kroon is de kans groot dat het schorsingsbesluit wordt gevolgd door een vernietigingsbesluit.

Vanwege de voorlopige voorziening hebben gemeenten in Zuid-Holland voorlopig wat ruimere mogelijkheden om detailhandel buiten de winkelconcentratiegebieden in het bestemmingsplan toe te laten. Gemeenten en initiatiefnemers moeten dan wel kunnen onderbouwen dat de beoogde vorm van detailhandel zich uit oogpunt van ruimtelijke ordening niet onderscheidt van de in de Verordening Ruimte opgesomde, perifere detailhandel.

Deel deze pagina:

Contactpersoon