Proportionaliteit bij de oplegging van een gedoogplicht5 januari 2016

Ten behoeve van de aanleg en instandhouding van leidingen legt de minister van Infrastructuur en milieu regelmatig gedoogplichten op. De bevoegdheid daartoe ontleent de minister aan de Belemmeringenwet privaatrecht. Aan de uitoefening van die bevoegdheid zijn wettelijk geregelde voorwaarden verbonden.

Eén van de voorwaarden is, dat de belangen van de eigenaar of rechthebbende geen onteigening vorderen. Zie daarover mijn publicatie van 13 augustus 2015 met verwijzing naar relevante jurisprudentie. Daarnaast kent de Belemmeringenwet het proportionaliteitsvereiste. Dit vereiste dient het belang van de eigenaar/rechthebbende: de te gedogen werken en werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op een zodanige wijze dat in het gebruik van de onroerende zaken niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is. In een uitspraak van 30 december 2015 vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een gedoogbeschikking, onder andere omdat de minister niet inzichtelijk had gemaakt op welke wijze de belangen van de rechthebbende in de gedoogbeschikking waren betrokken.

Aan een agrarisch ondernemer was een gedoogplicht opgelegd. De ondernemer zou moeten gedogen dat zijn weiland zou worden gebruikt als tijdelijke aanvoerroute voor materiaal ten behoeve van op te richten hoogspanningsmasten op percelen van derden. Na realisatie van de verbinding zou de ondernemer de aanwezigheid van overhangende kabels moeten gedogen. De periode waarin van de werkweg gebruik zou moeten worden gemaakt, was in de gedoogbeschikking onbegrensd. Bovendien was een gedoogplicht opgelegd die rustte op de algehele kadastrale percelen, dus niet uitsluitend op de strook die daadwerkelijk benodigd was.

De Afdeling toont begrip dat de minister enige flexibiliteit aan de leidinglegger heeft willen geven, maar overweegt dat bij de besluitvorming ook de belangen van de rechthebbende hadden moeten worden betrokken. Deze had een aangetoond belang dat het agrarisch gebruik zo min mogelijk zou worden belemmerd. Daarnaast had de ondernemer belang bij rechtszekerheid: om zijn ondernemingsactiviteiten te kunnen plannen had hij behoefte aan inzicht inzake de locaties waar hij feitelijk werken of werkzaamheden moest gedogen en een in tijd begrensde periode waarbinnen die gedoogplicht zou gelden.

De Afdeling vernietigt de gedoogbeschikking omdat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre zij deze belangen bij haar besluitvorming heeft betrokken. De Afdeling overweegt dat onduidelijk is waarom de gedoogbeschikking ziet op de algehele kadastrale percelen en niet slechts op de gedeelten daarvan die redelijkerwijs benodigd zijn. Evenmin heeft de minister inzichtelijk gemaakt waarom in de formulering van de gedoogbeschikking geen beperkingen zijn gesteld aan de duur van de aanlegwerkzaamheden.

De uitspraak is van belang voor eigenaren of andere rechthebbenden die worden geconfronteerd met gebruiksbeperkingen van hun gronden vanwege de aanleg en instandhouding van bijvoorbeeld hoogspanningsverbindingen of gasleidingen. Weliswaar kan op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht voor dergelijke werken van algemeen nut een gedoogplicht worden opgelegd, maar de Minister dient bij een aanvraag daartoe zorgvuldig te onderzoeken of aan de beschikking geen voorwaarden dienen te worden verbonden ter bescherming van de belangen van de eigenaar of rechthebbende. Het is in strijd met de wet om een gedoogbeschikking te verlenen die aan een eigenaar / rechthebbende gedoogverplichtingen oplegt die redelijkerwijs niet nodig zijn voor de aanleg en instandhouding van het werk.

Deze zaak heb ik behandeld voor de agrarisch ondernemer, gezamenlijk met diens rentmeester de heer ing. G.J. Pelgrum.

Heeft u vragen, neemt u dan gerust contact met mij op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon