Onteigening; oproepen deskundigen na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad7 januari 2016

In onteigeningszaken dienen door de rechtbank ter bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling deskundigen te worden benoemd (artikel 27 Onteigeningswet). Deze deskundigen dienen door de rechtbank te worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het pleidooi (artikel 37 Onteigeningswet).

In vijf onteigeningszaken waarin de Hoge Raad op 27 november 2015 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:HR:2015:3390, 3408, 3415, 3419 en 3421) was de vraag aan de orde of de door de rechtbank benoemde deskundigen ook in het geding na cassatie en verwijzing dienen te worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het pleidooi.

De Hoge Raad had in deze zaken eerder de vonnissen van de rechtbank Dordrecht waarbij de schadeloosstellingen waren vastgesteld vernietigd en de zaken verwezen naar het hof Den Haag (ECLI:NL:HR:2012:BW5613, BW5614, BW5617, BW5616 en BW5619).

In de verwijzingsprocedure bij het hof hebben beide partijen een memorie genomen, waarna pleidooi heeft plaatsgevonden. Het hof heeft niet opnieuw deskundigen benoemd. Evenmin heeft het hof de door de rechtbank benoemde deskundigen opgeroepen om bij het pleidooi aanwezig te zijn. Bij de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling is het hof afgeweken van het advies van de door de rechtbank benoemde deskundigen. De onteigenaar, de provincie Zuid-Holland, stelt cassatieberoep in. In cassatie klaagt de provincie erover dat het hof heeft verzuimd de door de rechtbank benoemde deskundigen op te roepen om bij het pleidooi aanwezig te zijn.

Bij de beoordeling van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop dat, mede gelet op de centrale positie die in het stelsel van de Onteigeningswet toekomt aan het deskundigenadvies, de door de rechtbank benoemde deskundigen overeenkomstig artikel 37 Onteigeningswet ook dienen te worden opgeroepen in het geding na cassatie en verwijzing, als de verwijzingsrechter tenminste geen aanleiding heeft gezien zelf andere deskundigen te benoemen. De Hoge Raad overweegt hierbij dat deskundigen dan desgevraagd een (nadere) mondelinge toelichting op het uitgebrachte advies kunnen verstrekken, waarbij de Hoge Raad opmerkt dat de mondelinge interactie met de deskundigen ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, in een door mij in cassatie behandelde onteigeningszaak).

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat op het voorgaande een uitzondering kan worden aanvaard als de verwijzingsrechter zich voldoende voorgelicht acht door het reeds uitgebrachte advies en geen van beide partijen voorafgaand aan of tijdens de pleitzitting gemotiveerd verzoekt de deskundigen alsnog op te roepen om een nadere toelichting te geven op hun advies.

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat uit het proces-verbaal van de pleitzitting niet blijkt dat de advocaat van de provincie bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat deskundigen niet zijn opgeroepen voor de zitting en dat de klacht niet aanvoert dat het hof ten onrechte feiten of omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd die niet in het advies van deskundigen zijn besproken en beoordeeld. Onder deze omstandigheden had het hof volgens de Hoge Raad de vrijheid om de zaak af te doen op de voet van het schriftelijk advies van de door de rechtbank benoemde deskundigen, zonder de deskundigen ter terechtzitting te horen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Voor informatie over cassatie en/of onteigening kunt u vrijblijvend contact met mij opnemen.

Deel deze pagina: