HELP, de Aanbestedingswet wijzigt (deel 1)!4 februari 2016

In april 2016 wordt de Aanbestedingswet (Aw) ingrijpend gewijzigd als gevolg van de verplichte implementatie van drie nieuwe Europese richtlijnen voor aanbestedingen (2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU). In tien bijdragen zullen we de komende weken belangrijke wijzigingen en aanvullingen in de Aanbestedingswet bespreken.

Wat wordt er allemaal anders?

#1/10: raming opdrachtwaarde!?


Een aanbestedende dienst moet overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten boven een bepaalde drempelwaarde door een Europese aanbesteding in de markt zetten. Om te beoordelen of de waarde van een voorgenomen opdracht de drempel overstijgt moet de aanbestedende dienst eerst een reëele raming opstellen.

Hoe is het nu?

In de richtlijnen en in artikel 2.15 Aw wordt aangegeven dat de raming van de opdracht gebaseerd moet zijn op de geschatte waarde van de opdracht excl. BTW ten tijde van het bekend maken van de opdracht. Bij meerjarige overeenkomsten moet gerekend worden met de waarde gedurende de gehele looptijd. In geval van prijzengeld, of betalingen aan gegadigden of inschrijvers, moeten die kosten ook meegenomen worden in de raming. Indien de opdracht mogelijk gesplitst wordt in percelen, dan moet uitgegaan worden van de waarde van alle percelen samen.

Voor bepaalde leveringen en diensten gelden specifieke berekeningsgrondslagen, waarbij bijvoorbeeld de ene keer gerekend moet worden met een termijn van 12 maanden en de andere keer met een termijn van 48 maanden. De bestaande regels voor de raming van een opdracht blijven ongewijzigd van kracht.

Wat verandert er?

Nieuw is dat, als de aanbestedende dienst uit meerdere afzonderlijke operationele eenheden bestaat (zoals de departementen of agentschappen bij de Staat en Stadsdelen bij gemeenten), dat de raming dan gebaseerd moet zijn op de opdrachtwaarde van alle operationele eenheden gezamenlijk. Dat is alleen anders als een operationele eenheid zelf verantwoordelijk is voor  zijn aanbestedingen.

Of sprake is van een afzonderlijke operationele eenheid blijkt uit het antwoord op de volgende vier vragen of:

  1. de eenheid verantwoordelijkheid is voor zijn eigen inkopen, waardoor deze onafhankelijk van enig ander onderdeel van dezelfde aanbestedende dienst kan besluiten om aankopen te doen of een aanbestedingsprocedure te voeren;
  2. de eenheid verantwoordelijk is voor zijn eigen inkopen, doordat sprake is van een scheiding van budgetten tussen de aanbestedende dienst en de eenheid en de eenheid zelf overeenkomsten moet sluiten en bekostigen uit zijn budget;
  3. de inkoop dient als voorziening in de eigen behoeften van die eenheid en;
  4. de aanbestedende dienst geen bemoeienis heeft met de inkoop van de eenheid door zich als grote inkopende partij te presenteren en te proberen vanuit die positie betere voorwaarden te bedingen.

In verband met de invoering van een richtlijn voor concessieopdrachten worden ten slotte extra regels opgenomen hoe de waarde van een concessieopdracht moet worden bepaald. Op hoofdlijnen is die methode gelijk als bij de andere richtlijnen.

Waarom is de raming van een opdracht zo belangrijk?

Het komt regelmatig voor dat ter discussie wordt gesteld of een opdracht nu wel of niet door een aanbesteding in de markt moet worden gezet, of de inschrijfsom van een inschrijver abnormaal laag is, of een aanbesteding opnieuw in de markt mag worden gezet na wezenlijke wijziging dan wel of een inschrijving door de aanbestedende dienst aangemerkt mag worden als lager of hoger dan diens raming.

In al die gevallen is de zorgvuldige raming van de aanbestedende dienst van belang. Zie bijvoorbeeld recent Rechtbank Zeeland-West-Brabant en Rechtbank Gelderland.

Ten slotte

Heeft u vragen over aanbestedingsrecht, architectenrecht of bouwcontracten? Bel of mail ons geheel vrijblijvend!

Deel deze pagina:

Contactpersoon