Cassatieberoep Second opinionprocedure; verschuldigdheid wettelijke handelsrente8 maart 2016

De omstandigheid dat een uitspraak van een hof tot stand is gekomen met toepassing van de zogenaamde Second opinionprocedure is geen beletsel voor de behandeling van een cassatieberoep. Dit heeft de Hoge Raad beslist in een arrest van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:339). In dit arrest heeft de Hoge Raad verder beslist dat artikel 6:119a lid 2 BW ook van toepassing is indien geen sprake is van een factuur, maar van een gelijkwaardig verzoek tot betaling.

Procedure rechtbank

Een aannemer heeft voor opdrachtgevers verbouwingswerkzaamheden verricht. De aannemer vordert van de opdrachtgevers betaling van € 327.023,20 te vermeerderen met primair handelsrente, subsidiair wettelijke rente. De rechtbank heeft opdrachtgever 1 veroordeeld tot betaling van € 87.528,07 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW en opdrachtgever 2 veroordeeld tot betaling van € 143.239,53, te vermeerderen met handelsrente. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestaan van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW niet afdoet dat (nog) geen factuur is verstuurd voor de verrichte werkzaamheden. Volgens de rechtbank kan de door de aannemer verstuurde ingebrekestelling als een met een factuur vergelijkbaar betalingsverzoek worden beschouwd. De rechtbank acht het redelijk dat de handelsrente is verschuldigd vanaf 32 dagen na de ingebrekestelling.

Second opinionprocedure

Opdrachtgevers hebben hoger beroep ingesteld. Partijen hebben desgevraagd toelating gekregen tot de zogenoemde Second opinionprocedure van het hof. Deze procedure berust op een bijzonder reglement van het hof. Dit voorziet erin dat het hof zich uitdrukkelijk verenigt met de overwegingen van de rechtbank en die tot de zijne maakt, of motiveert waarom het tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.

Hof

Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne, behoudens zijn andersluidende overwegingen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk (het hof veroordeelt opdrachtgever 2 tot betaling van € 115.237,74 in plaats van € 143.239,53) en bekrachtigt het vonnis - zonder motivering - voor het overige.

Cassatie

Opdrachtgevers gaan in cassatie. Zij klagen erover dat het oordeel van het hof over de handelsrente onjuist is, omdat een ingebrekestelling niet voldoende is om de handelsrente op grond van artikel 6:119a BW verschuldigd te doen worden.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat de omstandigheid dat een uitspraak van een hof tot stand is gekomen met toepassing van de Second opinionprocedure, geen beletsel is voor de behandeling van een cassatieberoep. Voor zover het hof zich heeft verenigd met de overwegingen van de rechtbank en die tot de zijne heeft gemaakt, kunnen de cassatieklachten zich richten tegen die overwegingen van de rechtbank en vormen die overwegingen het voorwerp van onderzoek in cassatie, aldus de Hoge Raad.

Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank over de wettelijke handelsrente overweegt de Hoge Raad dat art. 6:119a lid 2 BW een regeling bevat omtrent de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen en sprake is van ontvangst van een factuur door de schuldenaar. Op grond van de EG-Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties en de parlementaire geschiedenis van art. 6:119a lid 2 BW, moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de regeling van art. 6:119a lid 2 BW ook van toepassing is indien geen sprake is van ontvangst van een factuur, maar wel van een gelijkwaardig verzoek tot betaling. In zo'n geval moet de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente worden bepaald aan de hand van dat artikel. De rechtbank en het hof zijn volgens de Hoge Raad dan ook niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Zoekt u een cassatieadvocaat? Neem vrijblijvend contact op!

Deel deze pagina: