Aansprakelijkheid bestuurder van failliete vennootschap wegens onbehoorlijke taakvervulling9 maart 2016

Een bestuurder van een vennootschap kan bij faillissement aansprakelijk gehouden worden voor een boedeltekort indien sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. In zijn arrest van 12 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:233) bevestigt de Hoge Raad dat van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling pas sprake is indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.

Aansprakelijkheid bestuurder

Een bestuurder van een besloten vennootschap kan bij faillissement op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden voor een boedeltekort, indien het bestuur zijn taak in de afgelopen drie jaar kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Uit de wet volgt dat het niet tijdig deponeren van jaarrekeningen in beginsel als een onbehoorlijke taakvervulling wordt aangemerkt en vermoed wordt een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement.

In de zaak die tot het arrest van de Hoge Raad heeft geleid heeft een curator een bestuurder van een gefailleerde besloten vennootschap die zijn jaarrekening te laat had gedeponeerd aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort. De bestuurder heeft hiertegen het verweer gevoerd dat het niet deponeren van de jaarrekening een onbelangrijk verzuim was en dat andere oorzaken een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De bestuurder heeft onder meer aangevoerd dat het faillissement werd veroorzaakt door een teruglopende omzet van een derde partij waarmee een samenwerking was aangegaan, en dat hij ten aanzien hiervan geen onbehoorlijke taakvervulling kon worden verweten.

Cassatieberoep

Het hof heeft het verweer van de bestuurder verworpen en geoordeeld dat de bestuurder aansprakelijk is voor het boedeltekort. Door de bestuurder is door tussenkomst van een cassatie advocaat bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld.

Eén van de cassatieklachten is gericht tegen de overweging van dat het hof dat de bestuurder, ook wanneer het faillissement werd veroorzaakt door een teruglopende omzet van een derde partij waarmee een samenwerking was aangegaan, een verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt, omdat hij feitelijk zicht had (of kon hebben) op de financiële positie van die derde.

Hoge Raad

De Hoge Raad acht deze overweging van het hof onbegrijpelijk. Onder verwijzing naar een arrest van 8 juni 2001 bevestigt de Hoge Raad dat van een kennelijke onbehoorlijke taakvervulling pas sprake is indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Dat de bestuurder in dit geval zicht had of kon hebben op de omzet van de derde partij, betekent volgens de Hoge Raad nog niet dat de bestuurder daardoor een onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten. Hieruit volgt volgens de Hoge Raad immers nog niet dat de bestuurder aanleiding had om attent te zijn op een teruglopende omzet van die derde en of de bestuurder in dit verband actie had kunnen of moeten nemen.

De Hoge Raad acht de overweging van het hof overigens ook onbegrijpelijk omdat door het hof niet is ingegaan op door de bestuurder naar voren gebrachte stellingen die ertoe strekken dat de bestuurder op dat punt geen onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten.

Niet alleen deze klacht, maar ook nog twee andere tegen het arrest gerichte klachten slagen. Eén van deze klachten heeft betrekking op de - ten onrechte - door het hof toegewezen kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel beroep.

Voor informatie over cassatie kunt u vrijblijvend contact met mij opnemen.

Deel deze pagina: