Aansprakelijkheid van de overheid bij een onrechtmatig gebleken besluit6 mei 2016

Indien de bestuursrechter vaststelt dat een bestuursorgaan op onjuiste gronden een beslissing heeft genomen en het desbetreffende besluit vernietigt staat, wanneer de vernietiging onherroepelijk wordt, in beginsel de onrechtmatigheid van het besluit vast. Een partij die schade lijdt als gevolg van een dergelijk onrechtmatig gebleken besluit kan die schade, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband met het besluit bestaat, in beginsel op de overheid verhalen.

Een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:1048) biedt een fraai inzicht in het leerstuk van overheidsaansprakelijkheid.

De casus is als volgt

Een architect koopt een perceel grond met opstallen om daarop, na sloop van de bestaande opstallen, twee woningen te realiseren. De ene woning is bestemd voor bewoning door de architect zelf en de andere verkoopt de architect, nog voor de uitvoering van het project, door. De koopovereenkomst bevat een ontbindende voorwaarde voor het geval de bouw vertraging oplevert.

De architect vraagt de benodigde omgevingsvergunning aan. Na overleg met de gemeente en de welstandscommissie wijzigt hij de aanvraag op onderdelen. Burgemeester en wethouders van de gemeente besluiten echter de gevraagde vergunning te weigeren omdat het bouwplan in strijd zou zijn met de ingevolge de bestemmingsplanvoorschriften toegestane bouwhoogte. De architect is het met deze lezing van het bestemmingsplan niet eens en tekent bezwaar aan. Burgemeester en wethouders stellen de architect bij de beslissing op bezwaar in het ongelijk. De architect ziet zich genoodzaakt beroep aan te tekenen. De rechtbank is het met de architect eens en overweegt dat de omgevingsvergunning ten onrechte is geweigerd op de grond dat het bouwplan in strijd zou zijn met de in het bestemmingsplan geregelde bouwhoogte. Burgemeester en wethouders moeten een nieuwe beslissing nemen. Zij nemen het standpunt van de rechtbank dat de bouwhoogte in overeenstemming is met het bestemmingsplan over, maar beslissen alsnog de vergunning te weigeren. Ditmaal wordt daaraan ten grondslag gelegd dat de in het bouwplan voorziene kelders niet geheel in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Bijna twee jaar na de indiening van de oorspronkelijke aanvraag dient de architect een nieuwe aanvraag in voor het beoogde dubbel woonhuis. Ditmaal oordeelt het college van burgemeester en wethouders dat de aanvraag volledig in overeenstemming is met het bestemmingsplan en wordt binnen acht weken de omgevingsvergunning verleend. Enkele maanden later start de bouw.

De architect voelt zich op kosten gejaagd. Zou de vergunning direct zijn geweigerd vanwege de strijdigheid van de situering van de kelder met het bestemmingsplan in plaats vanwege de bouwhoogte, dan had de architect niet behoeven te procederen omtrent de achteraf gebleken onjuiste beoordeling van de vraag of die bouwhoogte paste binnen het bestemmingsplan. Als gevolg van het tijdverloop van twee jaar heeft de koper van het tweede huis de koopovereenkomst ontbonden. De architect lijdt schade in de vorm van extra financieringskosten, een gederfde verkoopopbrengst, meerwerk als gevolg van de vertraging, juridische bijstand en allerlei bijkomende kosten. Hij dient een onderbouwd schadeverzoek in bij burgemeester en wethouders. Dit verzoek wordt afgewezen. De schade zou niet het gevolg zijn van de aanvankelijk onjuiste toetsing door de gemeente.

De architect laat het er niet bij zitten en procedeert voor de bestuursrechter. Uit het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de architect aan het langste eind trekt. De Afdeling oordeelt dat aannemelijk is dat de architect zich niet genoodzaakt had gezien te procederen indien de betrokken overheidsinstantie bij de eerste beoordeling direct op een juiste wijze had getoetst aan de in het bestemmingsplan opgenomen bouwvoorschriften. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de in het oorspronkelijke bouwplan opgenomen situering van de kelders slechts een ondergeschikte afwijking van het bestemmingsplan betrof. Met een herziene aanvraag zou die afwijking eenvoudig zijn opgeheven. De hoogste bestuursrechter introduceert het fenomeen van een "redelijk denkend en handelend aanvrager en ontwikkelaar" van een project en concludeert dat een dergelijke redelijk denkend en handelende partij niet zou opteren voor een ongewisse procedure maar in plaats daarvan voor een nieuwe aanvraag, in de zekerheid verkerende dat die aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dus zal leiden tot vlotte vergunningverlening.

De Afdeling oordeelt dat vergoeding van het grootste deel van de gestelde schade, bestaande uit de extra financieringskosten en gederfde verkoopopbrengst, niet kan worden geweigerd op de grond dat die schade geen gevolg is van het rechtens onjuist bevonden besluit en vernietigt het afwijzingsbesluit.

Burgemeester en wethouders dienen een nieuwe beslissing op het schadeverzoek te nemen. Tenzij partijen de zaak zouden schikken. De uitspraak van de bestuursrechter biedt daartoe ruime aanknopingspunten.

Heeft u een vraag over overheidsaansprakelijkheid, neemt u dan gerust contact op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon