Omzetbelasting over deskundigenkosten bij onteigening11 mei 2016

In een arrest van 1 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:531) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een ondernemer de hem in rekening gebrachte omzetbelasting over de door de hem in het kader van een onteigening gemaakte deskundigenkosten niet in aftrek kan brengen (op de door hem te betalen omzetbelasting). Hieruit volgt dat deze omzetbelasting een schadepost vormt die voor vergoeding in aanmerking komt.

Onteigening

Op vordering van de Staat werd ten behoeve van de aanleg van een gedeelte van Rijksweg A4 een deel van een perceel onteigend. De onteigende exploiteerde daarop een paardenpension. De rechtbank kende hem een schadeloosstelling van € 14.500,- toe. Verder veroordeelde de rechtbank de Staat aan de onteigende een vergoeding te betalen van € 35.643,99 inclusief omzetbelasting voor door de onteigende gemaakte kosten voor juridische en deskundige bijstand (NB: op grond van artikel 50 Onteigeningswet heeft de onteigende in beginsel aanspraak op volledige vergoeding van deze kosten, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets). De rechtbank verwerpt de stelling van de Staat dat de aan de onteigende in rekening gebrachte omzetbelasting over de door hem gemaakte deskundigenkosten in aftrek kan worden gebracht, zodat deze omzetbelasting geen voor vergoeding in aanmerking komende schade vormt. Volgens de rechtbank kan de onteigende, hoewel hij mogelijk wel belastbare diensten verricht, de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting over de deskundigenkosten niet in aftrek brengen, omdat de verleende deskundige bijstand betrekking heeft op een onteigeningsprocedure die zal leiden tot een voor de omzetbelasting vrijgestelde levering. Die omzetbelasting vormt naar het oordeel van de rechtbank derhalve een schadepost, die vergoed dient te worden.

Cassatie

De onteigende stelt cassatieberoep in tegen het vonnis van de rechtbank. De Staat stelt incidenteel cassatieberoep in. De cassatieklachten van de onteigende worden met toepassing van artikel 81 RO verworpen.

De cassatieklacht van de Staat richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de onteigende de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting over de deskundigenkosten niet in aftrek kan brengen. In het cassatiemiddel wordt betoogd dat de dienstverlening door deskundigen in onteigeningsprocedures niet zozeer betrekking heeft op de levering van het onroerend goed, maar op de gevolgen van de onteigening voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten van de onteigende en de in verband daarmee toe te kennen schadeloosstelling. De kosten van deskundige bijstand dienen - aldus het cassatiemiddel - dan ook te worden aangemerkt als algemene kosten die ten behoeve van de gehele onderneming worden gemaakt.

Hoge Raad

De civiele kamer van de Hoge Raad - met in de zetel twee omzetbelastingspecialisten uit de belastingkamer - verwerpt de cassatieklacht. De Hoge Raad overweegt daartoe samengevat als volgt.

Een ondernemer kan de ter zake van juridische en andere deskundige bijstand aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen of terugvragen, voor zover de met die bijstand verrichte diensten door hem worden gebruikt voor belaste handelingen. Wanneer goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen bestaat geen recht op aftrek. Kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele onderneming, vormen algemene kosten van de onderneming en komen voor aftrek in aanmerking, in de mate waarin de ondernemer belaste handelingen verricht. De rechtsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding ingevolge een vordering door of namens de overheid, geldt op grond van artikel 3 lid 1, onder d, Wet OB voor de heffing van omzetbelasting als een levering van een goed. In cassatie is niet in geschil dat de rechtsovergang van het onteigende deel van het perceel als gevolg van de onteigeningsprocedure een van omzetbelasting vrijgestelde levering van een goed is. Dit brengt met zich mee dat de omzetbelasting die de bijstandverleners aan de onteigende in rekening hebben gebracht, in het geheel niet voor aftrek in aanmerking komt, wanneer hun diensten moeten worden geacht rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met deze levering. Voor de toepassing van de Wet OB heeft te gelden dat juridische en andere deskundige bijstand die erop gericht is de omvang van een tegenprestatie voor een levering van een goed te bepalen, geacht wordt rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met die levering. Dit is niet anders ingeval het bijstand betreft die erop gericht is de omvang vast te stellen van de vergoeding die een ondernemer krijgt voor de levering van een goed dat van hem wordt gevorderd door of namens de overheid.

Onteigeningspraktijk

De uitspraak van de Hoge Raad is verrassend. In de onteigeningspraktijk werd er vanuit gegaan dat de aan een ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting over de door die ondernemer gemaakte deskundigenkosten in het kader van een onteigening, in aftrek kan worden gebracht, zodat deze omzetbelasting geen schade vormt en niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ook advocaat-generaal mr. Van Oven was - blijkens zijn conclusie voor het arrest - deze mening toegedaan. De aftrek werd door de Belastingdienst ook goedgevonden. Daarin zal nu wellicht verandering komen.

Zoekt u een cassatieadvocaat of onteigeningsadvocaat? Neem vrijblijvend contact op!

 

Deel deze pagina: