Planschade hoogspanningsleiding 380/220kV9 september 2016

Op 17 augustus 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een opvallende uitspraak gedaan in een planschadezaak. De uitspraak treft u hier aan. De planschade deed zich voor vanwege de planologische inpassing van een hoogspanningsverbinding. De aanvrager om planschade stelde schade te hebben geleden als gevolg van aantasting van het uitzicht, geluidsoverlast, bestaande uit een knetterend geluid bij mist, ijzel of vochtig weer en uit "huilen" dan wel "fluiten" bij regen of bij wind door het deinen of zwiepen van de kabels, inperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel, psychische belasting in verband met de dreiging van het breken van kabels door wind en ijsafzetting of een combinatie van beide onder toenemende extreme weersgesteldheid.

In de uitspraak herhaalt de Afdeling dat een bestuursorgaan een door hem ingeschakelde deskundige in zijn besluitvorming kan volgen indien uit een advies van die deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn. In casu oordeelt de Afdeling echter dat het advies van de deskundige niet aan deze criteria voldoet. Zo heeft de deskundige geen begrijpelijke vergelijking getrokken tussen de planologische mogelijkheid om in de omgeving windturbines op te richten en de inpassing van de hoogspanningsverbinding, heeft evenmin een begrijpelijke vergelijking plaatsgevonden met de niet uitgesloten mogelijkheid een geluidscherm te plaatsen, mocht de beoordeling van de planschade niet worden beperkt tot de vraag of de exploitatie van de bedrijfsgebouwen wordt beperkt maar diende tevens de vraag te worden beantwoord of zich anderszins ten aanzien van het bedrijfsgedeelte geen nadelen van betekenis voordoen en mocht niet voorbij worden gegaan aan een voorgevallen incident, waarbij kortsluiting van de kabels heeft plaatsgevonden. De beleving van omwonenden bij een dergelijk incident kan niet worden aangemerkt als een negatieve gevoelswaarde doch rechtvaardigt de conclusie dat de hoogspanningsleiding objectief bezien in ruimtelijk opzicht een nadelige invloed op haar omgeving heeft en dat dit in objectieve zin tot verminderd woongenot leidt, aldus de Afdeling.

Teneinde tot een finale geschillenbeslechting te komen, stelt de Afdeling zelfstandig de waardevermindering vast. Daarbij zoekt de Afdeling aansluiting bij een door appellant ingebrachte taxatie. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

De uitspraak is in de praktijk relevant omdat de laatste jaren de nodige hoogspanningsverbindingen planologisch zijn ingepast. Veel van de beschreven effecten die de waardevermindering veroorzaken, zullen ook op andere locaties aan de orde kunnen zijn.

In het onderhavige geval werd de planschade veroorzaakt door een bestemmingsplan waarin de hoogspanningsverbinding werd ingepast. Gebruikelijk is om aan de gronden van het tracé van de hoogspanningsverbinding een zogenoemde "dubbelbestemming" toe te kennen. De aanvrager van de planschade was in dit geval eigenaar van de grond waarop de dubbelbestemming was komen te rusten. Onder die omstandigheid bestaat er geen wettelijke verplichting om een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico toe te passen (artikel 6.2 lid 2 sub b onder 1). Uit de uitspraak blijkt dan ook niet dat de Afdeling een dergelijke aftrek heeft toegepast.

Deel deze pagina:

Contactpersoon