Niet opeisbare vordering verjaart niet tijdens faillissement9 september 2016

Op 24 juni 2016 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:1294) zich uitgelaten over de vraag of de tijdens het faillissement ontstane rentevorderingen kunnen verjaren. Het ging in onderhavige geval om rentevorderingen die waren ontstaan uit een ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding (lopende overeenkomst) met de gefailleerde.

De Hoge Raad overweegt in zijn beslissing dat de hoofdvordering waarmee de rentevorderingen waren verbonden in beginsel voor verificatie (onderzoek naar de juistheid van de vordering door de curator) in aanmerking komen (artikel 26 Fw / HR 19 maart 2013, NJ 2013/291), maar dat op dit beginsel ten aanzien van lopende renteverplichtingen een uitzondering geldt. De uitzondering houdt in dat rentevorderingen tijdens faillissement alleen kunnen worden geverifieerd indien deze gedekt zijn door pand of hypotheek (artikel 128 Fw). Dat laatste betekent dat de doorlopende renteverplichtingen door pand- of hypotheekhouders wel kunnen worden geclaimd tot aan het moment waarop de zekerheden (pandrecht / recht van hypotheek) zijn uitgewonnen. Daarvan uitgaande zijn de rentevorderingen die niet gedekt worden door een pandrecht of een recht van hypotheek, zoals in deze zaak aan de orde, tijdens het faillissement niet verhaalbaar; niet bij de boedel en ook niet bij gefailleerde zelf.

Dergelijke tijdens faillissement ontstane rentevorderingen  zijn dus niet opeisbaar en van (het begin van) verjaring van dergelijke rentevorderingen tijdens faillissement is dus geen sprake.     

Deel deze pagina:

Contactpersoon