Verbod onderscheid bijstand voor samenwonenden met zorgbehoefte12 januari 2017

De Centrale Raad van Beroep heeft op 6 december 2016 uitspraak gedaan over een zorgbehoevende bijstandsgerechtigde die samenwoont met haar zorgverlener. De Raad heeft geoordeeld dat er geen rechtvaardiging is voor een verschillende behandeling van samenwonende tweedegraadsbloedverwanten (zoals broers en zussen) en andere ongehuwd samenwonenden, indien één van hen zorgbehoevend is.

Juridisch kader

Ingevolge artikel 3, derde lid, Participatiewet is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Artikel 3, tweede lid, aanhef onder a, Participatiewet bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

De wetgever gaat er in beginsel van uit dat als er meer personen in één woning wonen, zij de woonkosten en kosten voor levensonderhoud kunnen delen. De hoogte van de bijstandsuitkering wordt hierop aangepast. Voor eerste- en tweedegraads bloedverwanten is er een uitzondering gemaakt, waardoor zij voordeliger uit zijn dan andere samenwonenden die niet gehuwd zijn waarvan een van beiden de zorg voor de ander op zich neemt.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2016:4487)

In de onderhavige zaak had de gemeente de bijstand van de zorgbehoevende ingetrokken, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar verzorger en zijn inkomsten hoger zijn dan de bijstandsnorm voor gehuwden.

De zorgbehoevende vrouw tekende bezwaar aan, maar dit werd door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente afgewezen. De reden hiervoor was dat zij en haar zorgverlener op grond van de wet een gezamenlijke huishouding voeren en dat zij als echtgenoten moeten worden aangemerkt omdat bij een van hen sprake is van een zorgbehoefte, maar zij geen bloedverwanten in de tweede graad zijn. Met andere woorden: er kon geen beroep worden gedaan op de tenzij-clausule van artikel 3 lid 2 aanhef onder a Participatiewet. In beroep doet de vrouw een beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten:

"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

De Raad stelt de vrouw in het gelijk en concludeert dat er geen goede redenen zijn die ongelijke behandeling rechtvaardigen. Daarbij heeft de Raad ook oog gehad voor het feit dat zorg in de huidige tijd niet alleen wordt verleend door familieleden, maar ook regelmatig door anderen, met wie geen familieband bestaat.

De beslissing van de Raad luidt dat artikel 3, tweede lid, aanhef onder a, Participatiewet voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad, wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing dient te worden gelaten. Het is aan de betreffende gemeente om een nieuw besluit te nemen.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit onderwerp? Neem dan gerust vrijblijvend contact met ons op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon