Opnieuw uitspraak inzake opgelegde gedoogplicht Manege Velsen22 maart 2017

Op 22 maart 2017 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak opnieuw uitspraak gedaan in een beroep tegen een aan een manegehouder in Velsen opgelegde gedoogbeschikking. De uitspraak vindt u hier. Deze uitspraak volgt op een eerdere uitspraak van 12 augustus 2015, waarin de Afdeling een gedoogbeschikking vernietigde (zie mijn artikel Belang bij onteigening). Ditmaal blijft de gedoogbeschikking in stand. Als advocaat van de rechthebbende geef ik in deze bijdrage een korte opinie.

Uit de uitspraak blijkt onder meer dat:

  • een gedoogbeschikking materieel kan leiden tot volledige ontneming van de beschikkingsmacht van (in casu) ruim 4.000 m2 zonder vooraf verzekerde schadeloosstelling, de facto dus onteigening;
  • de Afdeling niet terug komt op het feitelijk uitgangspunt uit r.o.15.3 van de uitspraak van 12 augustus 2015, waarin de Afdeling destijds de feitelijk onjuiste vaststelling deed dat het perceel waarop de gedoogplicht rustte deel uitmaakte van enkele "aansluitende" percelen;
  • de Afdeling, als gevolg daarvan, toelaat dat met een gedoogbeschikking aan ongeveer een derde (1/3) deel van een afgezonderd gelegen perceel het volledige gebruik mocht worden onttrokken;
  • de Afdeling niet aanneemt dat uit verscheidene onderzoeken blijkt dat de 0,4 microtesla-contour nabij een opstijgpunt in beginsel afwijkt van een 0,4 microtesla-contour bij reguliere (bovengrondse) hoogspanningsverbindingen;
  • de Afdeling niet aanneemt dat het risico op storend coronageluid bij opstijgpunten aanmerkelijk groter is dan bij reguliere hoogspanningsverbindingen;
  • de Afdeling niet in haar overwegingen betrekt dat de geïsoleerde ligging van het afgezonderd perceel ertoe leidt dat paarden niet weg kunnen lopen bij het opstijgpunt.

De minister dient zich naar mijn mening op basis van deze uitspraak in gemoede af te vragen of de uitkomst van deze procedure de bedoeling van de wetgever wel juist weergeeft. Wettelijk is immers vastgelegd dat de oplegging van een gedoogplicht achterwege dient te blijven indien de belangen van de rechthebbende op de grond redelijkerwijs vorderen dat de voor het werk benodigde grond (door TenneT) wordt verworven of (bij gebreke van overeenstemming) wordt onteigend. Dat vergt een zelfstandige bestuurlijke afweging van de minister. De bestuursrechter toetst de afweging van de minister immers slechts marginaal. De minister dient dus in voorkomende gevallen, telkens opnieuw, zelfstandig te beoordelen of de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen.

De Afdeling zou zich naar mijn mening moeten afvragen onder welke omstandigheden zij (wel) zou oordelen dat de belangen van een rechthebbende in redelijkheid onteigening vorderen. En hoe het wettelijk verankerde redelijkheidscriterium zich verhoudt tot de mate waarin een rechthebbende zijn stellingen moet onderbouwen. Uit de Belemmeringenwet Privaatrecht volgt immers dat ook de rechter bevoegd is te oordelen dat de belangen van  rechthebbende redelijkerwijs onteigening vorderen. De Afdeling had dus (in beide uitspraken) niet behoeven te volstaan met een motiveringstoets.

De manegehouder is intussen zijn perceel al meer dan  twee jaar volledig kwijt vanwege de door TenneT aangevangen en vertraagde werkzaamheden en zal op het geïsoleerd gelegen weiland naar verwachting geen paarden meer kunnen weiden. Zou voor de ingreep op zijn rechten toepassing zijn gegeven aan de Onteigeningswet, dan had de manegehouder voorafgaande aan de inbreuk aanspraak gehad op een vergoeding (zo nodig in de vorm van een voorschot) en was een volledige schadeloosstelling naar de regels van de Onteigeningswet vooraf verzekerd geweest, zo nodig door  vaststelling daarvan door de onteigeningsrechter.

De voorliggende uitspraak leidt tot de, naar mijn mening onredelijke uitkomst dat de Afdeling aanvaardt dat die volledige schadeloosstelling niet vooraf verzekerd is, ondanks dat materieel sprake is van een ingrijpende ontneming van beschikkingsmacht die niet afwijkt van onteigening.

Deel deze pagina:

Contactpersoon